Wetenschap - 6 juli 2018

Tweede Kamer begrijpt onderwijswerkelijkheid niet

tekst:
Albert Sikkema

ANALYSE - Er gaapt een gat tussen de Haagse dadendrang en de werkelijkheid bij de universiteiten. Dat werd deze week pijnlijk duidelijk. Volgens de Tweede Kamer moet de onderwijskwaliteit verbeteren, terwijl de universitaire staf amechtig probeert de studentengroei op te vangen.

©EggHeadPhoto/Shutterstock.com

Op het eerste gezicht snijdt de motie die de Tweede Kamer deze week aannam over de ‘kwaliteitsafspraken’ hout. Toen de basisbeurs voor studenten werd afgeschaft, beloofde de regering dat een deel van die besparingen naar de universiteiten zou gaan om de onderwijskwaliteit te verbeteren. Dus nu vraagt de Kamer zich af: heeft dat extra geld daadwerkelijk tot hogere onderwijskwaliteit geleid? Een meerderheid heeft daarom op dinsdag 3 juli bepaald dat de minister die kwaliteit moet gaan meten.

Malversaties

Een logisch verhaal. Althans, uitgaande van de Haagse werkelijkheid. In die zelf gecreëerde politieke werkelijkheid gaan er honderden miljoenen euro naar 13 universiteiten voor onderwijsverbetering, terwijl de rest van de wereld stilstaat. De Rekenkamer weet vervolgens haarfijn uit te leggen dat maar 32,6 procent van dat bedrag traceerbaar is als kwaliteitsimpuls en dat de rest van de bestedingen onduidelijk zijn. En in Den Haag betekent ‘onduidelijk’: kans op malversaties, dus kwalijk. Dat leidt tot boekhoudkundige paniek en vervolgens tot een motie om de resterende 67,4 procent alsnog ‘aantoonbaar’ te investeren in onderwijskwaliteit.

Beperkt

In de échte werkelijkheid krijgen de 13 universiteiten jaarlijks een kleine 7 miljard aan inkomsten van de overheid (eerste geldstroom), studenten (collegegeld) en opdrachtgevers (contractonderzoek). Acht jaar geleden was dat nog een miljard minder. Het geld voor onderwijskwaliteit (200 miljoen per jaar, de komende jaren oplopend naar 800 miljoen) is tot dusverre een welkome maar beperkte bijdrage aan deze groei van 1 miljard per jaar, waarmee de universiteiten de stijgende studentenaantallen opvangen.

Klagen

De universiteiten klagen al jaren – met onderbouwing – dat ze te weinig geld krijgen om de studentengroei op te vangen. De Rijksbijdrage per student daalt namelijk al jaren. Op die werkelijkheid valt overigens ook iets af te dingen; de universiteiten tellen ook buitenlandse studenten mee en waarom zou de Nederlandse overheid die moeten financieren? Bovendien zijn er ook universiteiten, zoals die in Utrecht en Groningen, die juist geld overhouden.

Frustrerend

Toch blijft het een feit dat de Rijksbijdrage per student daalt. In dat licht is het frustrerend dat Kamerleden van links tot rechts de onderwijskwaliteit willen verhogen op de universiteiten. Docenten werken zich een slag in de rondte om met dezelfde stafomvang onderwijs te geven aan groeiende aantallen studenten. Nu horen ze in de Tweede Kamer: uw kwaliteit moet omhoog, er zijn afspraken gemaakt en die gaan we controleren. Zo niet, dan zwaait er wat.

Geen wonder dat de universiteitsbestuurders zich groen en geel ergeren aan dit ‘wantrouwen’ en ‘kortetermijndenken’ in Den Haag. De Kamerleden kennen de praktijk niet. Tijd voor een opfriscursus.


Re:ageer