Wetenschap - 26 november 2015

Run op Brusselse pot met goud

tekst:
Albert Sikkema

De Europese Unie is gul met onderzoeksgeld. Wageningen UR heeft daar veel profijt van, maar de kansen lijken te keren. Doordat steeds meer onderzoekers willen mee-eten uit de Brusselse ruif, daalt de slagingskans snel. En de benodigde cofinanciering vanuit Den Haag levert hoofdbrekens op.

‘Het is geweldig hoeveel geld de EU in onderzoek en ontwikkeling steekt’, zegt Harry Wichers, senior onderzoeker bij Food & Biobased Research. ‘Het huidige onderzoeksprogramma, Horizon 2020, stelt 80 miljard euro beschikbaar in zeven jaar tijd. Dat is 11,5 miljard per jaar, ofwel 8 procent van de totale EU-uitgaven. Nederland komt net aan 2 procent, als je de R&D-investeringen van de overheid en het bedrijfsleven bij elkaar optelt.’

Wichers is bovendien te spreken over de hoogte van de Europese onderzoeksubsidies. Vroeger financierde de EU maar de helft van de onderzoekkosten en moesten de onderzoekinstellingen de andere helft uit eigen zak of nationale potjes halen. Tegenwoordig betaalt de EU 100 procent van de personeelskosten, plus 25 procent voor indirecte kosten. Voor Wageningen UR, dat een hoge overhead heeft, is dat niet kostendekkend. Doorgaans moet er nog 25 procent aan cofinanciering bij, aldus Wichers, maar dat is prima. ‘De EU financiert beter dan de meeste van onze nationale onderzoekfinanciers.’

Je bent anderhalf jaar aan het schrijven om één EU-project binnen te halen
Harry Wichers

Polpulairder

Door haar ruimhartige financiering wordt de EU echter wel steeds populairder bij Europese onderzoekers. Steeds meer onderzoekinstituten dienen voorstellen in Brussel in, mede om bezuinigingen van de nationale onderzoekfinanciers op te vangen. ‘We zijn ongelooflijk populair’, vertelde de Nederlandse topambtenaar Robert-Jan Smits van de DG Research in Brussel eerder dit jaar aan het Europees parlement. Hij had in 2015 al 65 duizend onderzoekvoorstellen ontvangen voor het programma Horizon 2020. ‘We worden overspoeld.’

Iedereen kijkt naar Brussel, beaamt Peter Jongebloed, adviseur bij Wageningen International en ‘onze man in Brussel’. Door die grote belangstelling gaat de kans om een Europees project in de wacht te slepen in rap tempo omlaag. Volgens Smits was de gemiddelde slagingskans in september gedaald tot 12 à 14 procent. In Wageningen ligt die kans doorgaans hoger dan het gemiddelde (zie kader), maar ook hier daalt het slagingspercentage. Daardoor worden veel excellente onderzoekvoorstellen afgewezen, aldus Smits. Volgens Jongebloed is de situatie nog veel slechter. ‘Smits rekent de voorstellen die in de eerste ronde afvallen – twee derde van de voorstellen – niet eens mee in zijn rekensom. Ik denk dat gemiddeld nog slechts 4 à 5 procent van de onderzoekvoorstellen financiering krijgen.’

Als voorbeeld noemt Jongebloed een recente ‘waste call’ van de EU, waarbij kennisinstellingen onderzoekvoorstellen konden indienen voor het opwaarderen van afval. In de eerste fase dienden 183 consortia (met meerdere universiteiten en instituten) een voorstel in. Daarvan gingen 39 consortia door naar de tweede ronde; zij werden uitgenodigd om een volledig projectvoorstel te schrijven. Uiteindelijk zullen twee voorstellen worden gehonoreerd. Jongebloed: ‘Dit is verspilling van energie. Het kost zeker drie maanden om zo’n voorstel te schrijven.’

Afvalrace

Ook Wichers heeft voorbeelden van zo’n afvalrace. ‘Twee jaar geleden dienden we met een groot consortium een onderzoeksvoorstel in op het gebied van future proteins. Er werden in totaal 44 voorstellen ingediend, maar er was maar geld voor één project. Elf voorstellen gingen door naar de tweede ronde. Wij lagen er in de eerste ronde uit, achteraf gezien een geluk, want om kans te maken in de tweede ronde moest je een boekwerk schrijven.’ En dit jaar vroeg Wichers twee beurzen aan bij het Marie Curie- programma van de EU. ‘Dit is een fellowshipprogramma voor postdocs. De slagingskans is 5 procent, want elke ronde worden er duizend voorstellen ingediend en ze keuren er maar vijftig goed. Dat is maar twee postdocs per jaar per EU-lidstaat.’

Dit zijn wel dramatische voorbeelden, erkent Wichers. Omdat Wageningen goed staat aangeschreven en goede voorstellen indient, zal de slagingskans voor Wageningse projecten in praktijk hoger zijn. ‘Maar dan nog; je bent drie maanden bezig met het schrijven van een goed voorstel en je hebt gemiddeld 5 à 6 projectvoorstellen nodig om er eentje binnen te halen. Je bent als organisatie dus anderhalf jaar aan het schrijven om één EU-project binnen te halen. Wat een uren!’

DLO en ministerie van EZ moeten Nederlandse cofinanciering beter regelen
Luc van Hoof

Cofinanciering

En daar komt nog een ander probleem bij: het organiseren van de circa 25 procent aan cofinanciering. Onderzoekers van de universiteit kunnen die cofinanciering vaak uit het eigen budget halen, maar de DLO-onderzoekers hebben veel minder ruimte om zelf geld in te zetten, omdat ze voornamelijk onderzoeksopdrachten voor derden uitvoeren.

Vroeger, toen de EU nog 50 procent van de kosten vergoedde, kon het ministerie van EZ dat bedrag vaak matchen. Het ministerie investeerde in kennisontwikkeling bij DLO via de Kennisbasis en besteedde beleidsondersteunend onderzoek uit aan DLO. Als de onderzoeksprioriteiten van Nederland en de EU gelijk opliepen, kon de onderzoekmanager deze EZ- en EU-programma’s aan elkaar knopen. Maar met de komst van de topsectoren en het afschaffen van de FES-subsidies (Fonds Economische Structuurversterking) en technologische topinstituten in Nederland is vrijwel alle DLO-geld vastgelegd in opdrachten en hebben DLO’ers grote moeite om cofinanciering bij EU-geld te vinden.

Luc van Hoof, coördinator van het EU-onderzoek van Wageningen Imares, ervaart dit probleem in de praktijk. ‘DLO kan niet zelf in onderzoek investeren, maar moet geld vragen aan derden. Zo doet Imares onderzoek voor het Europees visserijbeheer. Als het om dit soort beleidsonderzoek gaat, is het ministerie de aangewezen kandidaat om voor cofinanciering te zorgen. Dat is afgelopen keer weer gelukt, maar wordt steeds lastiger, want het ministerie steekt vrijwel geen Kennisbasis-geld meer in visserijonderzoek.’

In het verleden keek Imares eerst of een projectvoorstel in de EU werd goedgekeurd, om er vervolgens cofinanciering bij te vinden in Den Haag. Maar dat is tegenwoordig te riskant, zegt Van Hoof. De kans dat de Nederlandse overheid niet bijpast, is te groot. Dus tegenwoordig geldt de regel dat voor het indienen van het EU-voorstel de cofinanciering eigenlijk al rond moet zijn. In de praktijk betekent dat nogal wat voor de onderzoekers, legt Van Hoof uit. ‘Als deelnemer van een EU-project kun je een miljoen euro binnenhalen. Dan moet je dus eerst de cofinanciering van plusminus drie ton regelen. Waarbij het zeer onzeker is of het project wel doorgaat.’

Van Hoof maakte dit mee bij een Europees onderzoeksvoorstel naar de gevolgen van het visserijbesluit om geen bijvangsten meer overboord te gooien op zee. Bij dit praktijkgerichte onderzoek wilde de visserijsector wel bijpassen als cofinancier. Helaas werd het projectvoorstel afgewezen door de EU.

De Nederlandse regering ziet inmiddels ook in dat de onderzoeksinstituten en ook de universiteiten hier een probleem hebben. Er is een cofinancieringspotje voor EU-onderzoek ingesteld van 50 miljoen euro. Een goede zaak, zegt Jongebloed, maar dit lost slechts een kwart van het ‘cofinancieringsgat’ op.

We liepen als Nederland voorop, maar de concurrentie is toegenomen
Peter Jongebloed

Achterstand

Naast geldgebrek spelen ook steeds strengere subsidievoorwaarden de onderzoekers parten. Jarenlang haalden Nederlandse universiteiten en instituten met het ene project het andere binnen. Dan hadden ze bijvoorbeeld een dierenwelzijnsproject gefinancierd gekregen van het ministerie van EZ, die als cofinanciering diende voor een EU-project over dierenwelzijn. Dat soort constructies wordt echter steeds lastiger. Twee projecten aan elkaar plakken voor financiering mag steeds minder vaak. Zo staat de cofinanciering met beleidsondersteunend onderzoek van EZ inmiddels ter discussie.

Successen uit het verleden
Successen uit het verleden

Door deze problemen wordt Nederland op achterstand gezet bij het binnenhalen van EU-financiering, stelt Jongebloed. DLO moet concurreren met het Franse INRA en Zuid-Europese onderzoekinstituten die nog vrijwel geheel door hun overheid worden bekostigd en die dus veel makkelijker cofinanciering bij hun ministerie kunnen regelen. En ze moet concurreren met instellingen die worden beloond door hun overheid voor een geslaagde EU-onderzoekaanvraag. Zo krijgen Zweedse universiteiten en instituten extra geld van de Zweedse regering als ze een EU-project binnenhalen dat valt binnen de nationale prioriteiten. En zo betaalt de Ierse overheid extra geld aan Ierse kennisinstellingen als die EU-projecten coördineren. Jongebloed: ‘We liepen als Nederland voorop, maar de concurrentie is toegenomen.’

Dat andere EU-lidstaten hun kennisinstituten beter ondersteunen dan Nederland, bleek onlangs ook uit het onderzoeksproject Define (Designing strategies for Efficient Funding of Higher Education in Europe). In Nederland komt 60 procent van de universiteitsinkomsten van de overheid, 10 procent komt van collegegeld, 30 procent van publieke en private opdrachtgevers (tweede en derde geldstroom). In de EU krijgen alleen Engelse universiteiten een lager percentage publieke financiering. Het Europees gemiddelde ligt op 80 procent.

Volgens Van Hoof moeten DLO en het ministerie van EZ tot nieuwe afspraken komen om de Nederlandse cofinanciering beter te regelen. Nu lopen pogingen te vaak vast in conflicterende regels. Zo hanteert de Nederlandse overheid een kasstelsel, waardoor de onderzoekbudgetten per jaar beschikbaar komen. Als gevolg sluit de cofinanciering vanuit Den Haag niet altijd aan bij de meerjarige EU projecten. Van Hoof: ‘Van dit soort problemen worden onderzoekers gek.’


Re:ageer