Wetenschap - 14 mei 2018

Insect heeft andere landbouw nodig

tekst:
Roelof Kleis

Wil het nog goed komen met de insecten in ons land, dan moeten landbouwers drastisch anders gaan boeren. De tijd is er rijp voor, zegt hoogleraar Plantenecologie en Natuurbeheer David Kleijn.

© Shutterstock

Kleijn is hoofdauteur van een studie naar de achteruitgang van de insectenpopulaties in ons land. Die studie werd uitgevoerd in opdracht van het ministerie van LNV. Aanleiding is een Duitse studie die vorig najaar veel stof deed opwaaien. Die langjarige studie laat zien dat het aantal insecten in dertig jaar tijd met driekwart is afgenomen. Hoe zit dat in ons land en wat kunnen we daaraan doen, wilde minister Carola Schouten weten.

De Duitse studie kreeg naast bijval ook kritiek. Ook Wageningse ecologen plaatsten vraagtekens. Onterecht, concluderen Kleijn en consorten. De Duitse studie deugt. Maar de situatie in ons land is waarschijnlijk minder dramatisch, blijkt uit de Wageningse evaluatie. Desondanks is er absoluut reden tot zorg, zegt Kleijn. Ook minister Schouten gebruikt de term ‘zorgelijk’ in haar brief aan de Tweede Kamer naar aanleiding van de Wageningse studie.

Aaibaar
Maar hoe slecht het precies met de insecten gesteld is, is niet duidelijk, bevestigt Kleijn. De juiste gegevens ontbreken eenvoudigweg. Dankzij jarenlange monitoring van ‘aaibare’ insecten als vlinders en libellen zijn de populaties van die groepen behoorlijk in kaart gebracht. Maar data over biomassa, dus de totale hoeveelheid insecten, zijn er niet. Een vergelijkbare studie als die in Duitsland is daarom in ons land niet mogelijk.

De studies die er wél zijn, zijn bovendien niet eensluidend. De achteruitgang van soorten in natuurgebieden lijkt bijvoorbeeld enigszins tot staan gebracht, maar van soorten die afhankelijk zijn van agrarisch landschap niet. Van die laatste groep zijn overigens nauwelijks goede gegevens beschikbaar. Het tellen van insecten is meestal vrijwilligerswerk. En die tellen het liefst in natuurgebieden, want daar valt tenminste iets te zien.

We weten eigenlijk niet welke groep de insectensamenstelling domineert in een bepaalde habitat.
David Kleijn

Daar komt volgens Kleijn bij dat tot voor kort niemand interesse had in de biomassa van insecten. ‘Dat is pas de laatste jaren omgeslagen, naar aanleiding van de discussie over de bijensterfte en de achteruitgang van weidevogels. Noem het voortschrijdend inzicht. Langzamerhand zijn we gaan inzien dat ook de bulkinsecten belangrijk zijn. Juist bulkinsecten zijn belangrijk voor het voedselweb.’ Kleijn adviseert de minister daarom met name insectengroepen in het agrarisch gebied beter in kaart te brengen.

Eyeopener
Naast betere monitoring is volgens Kleijn beter inzicht nodig in insectengemeenschappen. ‘We weten eigenlijk niet welke groep de insectensamenstelling domineert in een bepaalde habitat. Dat was voor mijzelf een eyeopener in onze studie.’ Ook is niet precies bekend waaróm insecten het zo slecht doen. Maar dat de landbouw een doorslaggevende rol speelt, staat volgens Kleijn buiten kijf. Hij stelt daarom voor om zo snel mogelijk aan de slag te gaan met het bedenken van herstelmaatregelen waar boeren mee aan de slag kunnen.

Het roer in de landbouw moet om, vindt Kleijn. ‘En iedereen vindt dat eigenlijk wel, ook de meeste boeren, hoewel die begrijpelijkerwijs dan wel zeker willen weten dat ze met die nieuwe vorm van landbouw ook een  goede boterham kunnen verdienen. De intentie is er om naar andere teeltsystemen te gaan die meer rekening houden met de natuur. De tijd is er rijp voor. We zien met zijn allen dat we op een doodlopende weg zitten. En dat is een fantastische uitgangspositie om het verschil te gaan maken.’

Lees meer: