Wetenschap - 6 december 2018

‘De veldbloemen moeten weer bloeien’ - David Kleijn pleit voor regionale biodiversiteitswerkplaatsen

tekst:
Albert Sikkema
2

Ecologen, boeren, waterschappen en provinciebestuurders moeten in living labs maatregelen uittesten voor de bevordering van de biodiversiteit in de Nederlandse landbouw. Zo kunnen ze invulling geven aan de kringloopvisie van het huidige kabinet, zegt hoogleraar David Kleijn.

tekst Albert Sikkema  foto Aldo Allessie

Nederland moet koploper worden in kringlooplandbouw, schrijft landbouwminister Carola Schouten in de landbouwvisie van het kabinet, die ze in september presenteerde. De landbouw mag de biodiversiteit niet langer onder druk zetten en ‘heeft een belangrijke sleutel in handen voor verbetering van natuurwaarden in Nederland’, aldus de minister.

David Kleijn, hoogleraar Plantenecologie en Natuurbeheer, is een bekend criticaster van het huidige, op export en kostprijs gerichte landbouwsysteem. Dat zorgt voor een forse afname van het aantal weidevogels, akkerkruiden en insecten in Nederland, constateert hij. Ook toonde onderzoek van hem aan dat de premies die boeren krijgen voor agrarisch natuurbeheer de natuur tot nog toe niet of nauwelijks ten goede komen. Wat vindt hij van de nieuwe landbouwvisie? En hoe kan die handen en voeten krijgen?

Niet alleen boeren

Om te beginnen wil Kleijn één ding benadrukken: ‘Het is te simpel om te zeggen dat de boeren schuldig zijn aan de achteruitgang van de biodiversiteit en die dus ook maar moeten oplossen. De boeren zijn onderdeel van een natuuronvriendelijk systeem dat we met zijn allen hebben laten ontstaan. Biodiversiteitsherstel heeft een integrale benadering nodig. Als de consument een paar cent meer per liter melk of kilo aardappelen betaalt, kunnen we alle problemen oplossen. Ook gemeenten, waterschappen en natuurorganisaties moeten gaan bijdragen aan een natuurinclusief landschapsbeheer.’

Gewoon beginnen

Kleijn denkt dat de uitdaging voor de kringlooplandbouw ligt in het vinden van een goede balans tussen klimaat, milieu en natuur. Om die te vinden, bepleit hij een regionale, toepassingsgerichte aanpak. ‘Ik heb lang gedacht dat we eerst met onderzoek moesten uitdokteren hoe we de natuur op boerenland het beste kunnen beschermen, om de uitkomsten daarna in beleid te gieten. Ik denk inmiddels dat dat niet werkt. Van veel simpele zaken weten we te weinig. De natuur en de samenleving zijn erg complex; de praktijk stelt je telkens voor verrassingen. Het is een illusie dat je met landelijke regelgeving de biodiversiteit verbetert. We moeten op regionaal niveau, met de boeren, aan de slag. Gewoon beginnen en al doende leren – en het daarna weer beter doen.’

Kleijn wil de mogelijkheden uittesten in regionale living labs. ‘Maatregelen voor natuurbeheer van afzonderlijke boeren hebben geen of nauwelijks zin. Als de omgeving niet meedoet, gaat het niet werken. Je hebt een systeem van natuurbeheer nodig op gebiedsniveau.’ Daarom wil hij met boeren, buitenlui en gemeenten op regionaal niveau nadenken over en experimenteren met natuurinclusief landschapsbeheer. Hij is blij dat minister Schouten ook aangeeft dat ze de kringlooplandbouw op regionaal niveau wil uitwerken. ‘De natuur is sterk context-afhankelijk. In de veenweidegebieden heb je hele andere maatregelen voor natuurbehoud nodig dan op de zandgronden.’

Het is een illusie dat je met landelijke regels de biodiversiteit verbetert

Fatsoenlijke boterham

Zo moeten we in het Nederlandse veenweidegebied vooral zorgen voor een hoger grondwaterpeil, zegt de hoogleraar. ‘Ten eerste zorgt dat voor minder CO2-uitstoot en minder bodemdaling, waardoor de boeren langer kunnen blijven boeren. Ten tweede zorgt dat hogere waterpeil ervoor dat boeren later in het voorjaar gaan maaien. Daardoor wordt het een beter broedgebied voor weidevogels. De uitdaging ligt in het vinden van een manier waarmee boeren ook onder deze omstandigheden een fatsoenlijke boterham kunnen verdienen.’

Op zandgronden als de Peel moet je aan andere maatregelen denken, zegt Kleijn. Hij begint opvallend genoeg niet bij de boeren, maar bij de gemeenten. ‘De gemeenten maaien de bermen niet meer zelf, maar besteden dat uit aan bedrijven met grote tractoren die deze lokale hotspots aan biodiversiteit allemaal op hetzelfde moment wegmaaien. Dat is een slechte zaak. Gefaseerd maaien is beter voor de biodiversiteit en gemeenten kunnen het ook door boeren laten doen. Die kunnen dat bermmaaisel dan gebruiken als bodemverbeteraar, in plaats van drijfmest. Zo kun je biodiversiteit en goed bodembeheer combineren.’

Houtwallen

Telkens is per gebied een integrale benadering nodig, benadrukt Kleijn. ‘Als de Nederlandse veehouderij meer eiwit van eigen land haalt voor diervoer, hoeven we minder soja te importeren, wat goed is voor natuur in landen als Brazilië. Dat kun je belonen. Maar als je alleen daarop stuurt, kan het gebeuren dat veehouders hun graslanden nog zwaarder gaan bemesten en vaker gaan maaien, wat funest is voor de weidevogels. Met een premie voor kruidenrijk grasland gaan boeren een meer gebalanceerde afweging maken die ook bevorderlijk is voor biodiversiteit.’

Daarnaast moet je boeren een zetje in de goede richting geven door de regelgeving te veranderen, denkt Kleijn. In dat kader pleit hij voor bescherming van houtwallen en slootkanten, die belangrijk zijn voor vogels en insecten. ‘Het gekke is: Nederland telt houtwallen niet mee bij de hectaretoeslag van het Europees landbouwbeleid. Boeren krijgen subsidie voor landbouwgrond, niet voor de landschapselementen op hun land. Door die perverse prikkel halen boeren de houtwallen weg. Het zou goed zijn als de minister deze regelgeving aanpast.’

In veenweidegebieden heb je andere maatregelen voor natuurbehoud nodig dan op zandgronden.

Pinksterbloemen

Punt is steeds, zegt Kleijn, dat boeren alleen investeren in natuur als er een verdienmodel is. Daarom zijn de Europese landbouwsubsidies van belang, maar hij noemt ook aan andere opties. De Rabobank kan bijvoorbeeld een lagere rente vragen aan natuurinclusieve boeren, Friesland Campina kan biodiversiteit belonen met een hogere melkprijs.

Doel is om landbouwsystemen te ontwerpen die biodiversiteit en natuurbehoud bevorderen. Goede indicatoren van zulke natuurinclusieve systemen zijn volgens Kleijn bloemen. De bloeiende grasweides van vroeger, met boterbloem en pinksterbloem, zijn de afgelopen decennia gestaag veranderd in woestijnen van Engels raaigras. Kleijn: ‘We moeten het agrarisch beheer zo aanpassen dat veldbloemen weer kunnen bloeien.’


Deltaplan Biodiversiteit

David Kleijn werkt mee aan het Deltaplan Biodiversiteitsherstel, waarmee partijen als het Wereld Natuur Fonds, de Rabobank, LTO Nederland en WUR de sterke achteruitgang van de soortenrijkdom in Nederland willen keren. Het plan wordt waarschijnlijk later deze maand gepresenteerd.


Wekelijks het laatste nieuws ontvangen over studeren en werken bij WUR? Schrijf je dan nu in voor de Resource nieuwsbrief

Re:acties 2

  • Peter Harry Mulder

    Maatregelen en ideëen die dhr.David Kleijn beschrijft probeert onze werkgroep (www.Boerenbuitengebied.nl) ,voor 'boer en burger', in de praktijk te brengen, als verlengstuk vsn agrarisch natuurbeheer. Zonder zich te bemoeien met het boeren op de akkers, boeken we voor akkernatuur al succes: recreanten waarderen de bloemrijke bermen (oa vlinders) en vogelaars stellen dat hier 'altijd wat te beleven' valt. Een groot compliment voor de gangbare (niet biologische) akkerbouw. De huidige boerenaandacht (uit eigen belang) voor bodembiodiversiteit bevorderende maatregelen (zoals niet kerende grondbewerking, bodembedekking, vermindering pesticidegebruik door de weerbaatrheid van bodem en planten te verhogen) zal aan die beleving bijdragen. Echter Het GLB (Europees landbouwbeleid) heeft uiteindelijk via het boerenverdienmodel een grote vinger im de pap voor het welslagen van het Deltaplanbiodiversiteitherstel: namelijk kostendekkende, natuurinclusieve prijzen die boeren nu ontberen.

    Reageer
  • R. Glas

    Er zijn andere maaimachines nodig. De maaizuigers doden alle insecten, poppen, eieren. Er moeten machines worden ontwikkeld die na het afsnijden het maaisel via een transportband afvoeren. Met zoveel mogelijk kans voor insecten om weg te springen, vliegen of zich te laten vallen. Het is niet erg als er par sprietjes gras blijven liggen, 100% dode fauna is wel erg.
    Mooie taak voor een studententeam?

    Reageer

Re:ageer