Wetenschap - 1 januari 1970

Zorgoma past op voor een bosje bloemen en een gevulde koek

Zorgoma past op voor een bosje bloemen en een gevulde koek

Zorgoma past op voor een bosje bloemen en een gevulde koek

Hester Branderhorst deed onderzoek naar zorgoma's - oma's die op hun kleinkinderen passen. Wat dochters hun moeders gaven in ruil voor kinderopvang varieerde van bossen bloemen en gevulde koeken tot geheel verzorgde vakanties en afwasmachines.


Toen ik laatst in de trein zat, kwamen er drie echte Amsterdamse vrouwen binnen, herinnert Hester Branderhorst zich. Ze ploften neer op de bank en een van hen diepte een foldertje over Amsterdamse creches op uit haar tas. Ze riep: Moet je kijken, wat een prijzen. De tweede rukte de folder uit haar handen, keek er eens naar en schreeuwde door de trein: Tjee, wel achthonderd gulden per maand, waarop de derde in plat Amsterdams reageerde: Nou joh, dan vraag je toch gewoon een oma.

Voor Branderhorst bevestigt het voorval de relevantie van haar onderzoek. Iedereen kent wel iemand bij wie een oma op haar kleinkind past. Bovendien bleek uit haar voorbereidende literatuurstudie dat in 1995 maar liefst 83,7 procent van de vrouwen in Nederland met kinderen onder de vier jaar de kinderopvang informeel organiseerde, dus via familie, vrienden of kennissen. En het feit dat er verder nauwelijks onderzoek naar gedaan is, wijst erop dat de huidige gezinssociologie de zorgverbanden tussen familieleden onderschat.

Dus toog Branderhorst aan het werk. Via een consultatiebureau zocht ze families die wilden meewerken aan haar kwalitatieve onderzoek. Uiteindelijk vond ze vijftien families bereid. Ik heb aan de families zelf overgelaten wie ze mee wilden laten doen. Het bleken allemaal vrouwen: vijftien zorgoma's, veertien dochters en maar oon schoondochter.

Tijdens de interviews ging Branderhorst in op thema's die uit haar literatuuronderzoek als relevant naar boven kwamen -zogenaamde attenderende begrippen. Ze vroeg bijvoorbeeld extra door over hoe moeders en dochters onderhandelen over oppasregelingen en over reciprociteitsverhoudingen - het principe van geven en nemen: oma past op, maar wat krijgt ze ervoor terug

De onderhandelingen over het oppasarrangement verlopen impliciet, stelt Branderhorst. Ik vroeg bijvoorbeeld een keer: hoe wist je dat je moeder wilde oppassen. Het antwoord was: we hebben er nooit over gepraat, maar we hebben zo'n goede band met elkaar; ik w354st gewoon dat mijn moeder het wel wilde doen. Die vrouw had daarom zelfs niet te lang gewacht met zwanger worden: nu kon haar moeder nog voor het kind zorgen, maar later zou het niet meer gaan. Dat is een typisch voorbeeld van impliciet onderhandelen: er is communicatie over de regeling geweest, maar hoe en wat is niet meer te achterhalen.

De oppasregelingen binnen de vijftien families verschilden weinig: alle vijftien oma's pasten oon tot twee dagen per week op, afhankelijk van de leeftijd van het kind voor een duur van drie maanden tot acht jaar. De plaats bleek variabel; de ene keer past oma op bij haar dochter, de andere keer in haar eigen huis

Oma is dus flexibel, wat dochters als groot voordeel zien. Een ziek kind kan je niet naar de creche brengen, maar oma kan wel oppassen. Bij een creche moeten dochters hun kind bovendien precies om zes uur ophalen. En daarna rennen naar Albert Heijn. Als oma oppast, kijkt ze niet op een uurtje en bovendien kan haar dochter aanschuiven voor het avondeten als ze het kind komt ophalen. Een aantal dochters mocht zelfs de dag tevoren kiezen wat ze wilden eten.

Maar wat zijn de motieven van de oppasoma's? Ik had gedacht dat ze allemaal altruïstische motieven zouden geven, maar ze zeiden massaal: Ik pas op om een goede band met m'n kleinkind op te bouwen en bovendien kan ik dan met het kind doen en laten wat 354k wil. Veel oma's hadden bovendien heimelijk bezwaar tegen formele kinderopvang. Zo van: Dan doe ik het liever zelf.

Dat bezwaar deelden veel dochters. Bij formele oppas zijn ze niet zeker van de intenties. Bij oma zijn ze tenminste zeker van haar goede bedoelingen. Slechts een aantal dochters vond het belangrijk dat het kind een band met oma kreeg

Oppasoma's willen over het algemeen niet dat dochters hen betalen. Een enkel keertje gebeurt het toch, als ze het financieel heel erg nodig hebben. Maar over het algemeen zeggen dochters dat het in hun relatie met hun moeder over en weer is: als moeder n371 helpt, help ik haar later. Dat noem je indirecte reciprociteit. In praktijk blijkt echter dat er sprake is van directe reciprociteit. Wat dochters geven, varieert van bossen bloemen en gevulde koeken tot geheel verzorgde vakanties en afwasmachines. Daar staat tegenover dat de dochters later niet voor hun moeder willen zorgen als ze hulp nodig heeft, stelt Branderhorst. Dus de duurzame hulp die de oma's hen bieden met het oppassen, geven ze waarschijnlijk nooit terug.


Foto Guy Ackermans

Re:ageer