Wetenschap - 1 januari 1970

Zonder grasmat is de dijk zo weg

Zonder grasmat is de dijk zo weg

Zonder grasmat is de dijk zo weg

Wageningse bioloog pleit voor soortenrijk dijkgrasland

Dijkbeheerders moeten zorgen voor een soortenrijk dijkgrasland om erosie te voorkomen, stelt promovendus dr Hans Sprangers. Zijn mening wordt echter niet door alle dijkbeheerders gedeeld. De laatste twintig jaar is er vrijwel geen schade geweest aan de dijkbekledingen.


Dat gras op dijken erosie voorkomt, onderkennen de Nederlandse dijkbeheerders al langer. De meeste rivier- en kustdijken zijn dan ook deels bedekt met gras. De dijkbeheerders hechten echter minder waarde aan de conditie van het graspakket. Dat blijkt uit het feit dat grote delen van de rivier- en kustdijken in Nederland bedekt zijn met slecht beheerd, zwaar bemest en intensief begraasd gras- en hooiland. Drs Hans Sprangers, die 12 februari promoveert, wilde weten of dit nadelig is voor de sterkte en dus de veiligheid van de dijk. Bij de leerstoelgroep Natuurbeheer en plantenecologie onderzocht hij vier jaar de vegetatie en erosiebestendigheid van zeedijken langs de Waddenkust, de kust van Noord-Holland en Zeeland

Op 24 locaties experimenteerde Sprangers met de dijkvegetatie om te bepalen welke beheersmaatregelen optimaal zijn voor de conditie van de vegetatie. In het laboratorium testte hij de erosiebestendigheid van de graszoden. Hij concludeerde dat de dijken gebaat zijn bij regelmatig maaien en geen bemesting. Dit leidt volgens hem tot een dichte, soortenrijke graszode met een uitgebreid wortelnetwerk. Die maakt de dijk beter bestand tegen erosie. Sprangers: In tijden van nood, tijdens storm of hoogwater, moet een dijk in goede conditie zijn. Er zijn genoeg locaties aan te wijzen waar dit niet het geval was. Bij Ochten langs de Waal bijvoorbeeld was de dijk tijdens het laatste hoogwater erg onstabiel geworden. Bij Opijnen was het kleidek behoorlijk aangetast vanwege de slechte graszode. Dat was na de februaristorm van 1991 ook het geval bij Bath in Zeeland.

Er zijn echter kanttekeningen te plaatsen bij de conclusies van Sprangers. Dick Rackhorst, hoofd sectie kust/waterkeringen van de Rijkswaterstaat-directie Noord-Holland, vraagt zich af of een grote soortenrijkdom wel goed is voor een dijk. Sommige planten verzwakken een dijk juist. Distels bijvoorbeeld vormen pijpvormige wortelkanalen die bij verrotting van de wortels de bodem zwak maken.

Volgens Peter Wondergem, dijkonderzoeker bij de Dienst Weg- en Waterbouw van Rijkswaterstaat, zijn distels inderdaad slecht voor een dijk. Maar op onbemeste gronden komen distels meestal niet voor, omdat ze veel nutriƫnten nodig hebben. Wondergem kan zich redelijk goed vinden in de conclusie van Sprangers. De dijkonderzoeker toont aan dat stoppen met bemesten tot een homogenere doorworteling in de bodem leidt. De wortels moeten zich namelijk meer vertakken en dieper graven om de nodige nutriƫnten te vinden. Zo houden de wortels de bodem beter vast

Zeezout

Maar stel dat minder bemesting inderdaad leidt tot betere doorworteling, dan nog is het de vraag of zo'n voorgestelde maatregel overal het beoogde effect heeft. Volgens Rackhorst zijn de grasmatten op dijken langs de Hollandse kust niet zo goed vanwege de voortdurende neerslag van zeezout. Weinig plantensoorten zijn hiertegen opgewassen. Begrazing of stoppen met bemesting zou hier dan ook weinig zin hebben, aldus Rackhorst

Inmiddels is Rijkswaterstaat al op een aantal dijken in Nederland de dijkvegetatie aan het verbeteren, mede naar aanleiding van Sprangers' onderzoek. In het waterschap Oost-Veluwe worden de dijken nu natuurtechnisch beheerd. Dat wil zeggen: er wordt twee maal per jaar gemaaid, er wordt niet bemest en het maaisel wordt afgevoerd. Of dat werkt is nog onzeker. Rijkswaterstaat heeft de laatste tien jaar weliswaar veel erosieproeven gedaan, maar die zijn gedaan in het Waterloopkundig Laboratorium, waar stromingen en golven kunstmatig worden opgewekt in stroomgoten. Rijkswaterstaat mat dus wel aan sterk vereenvoudigde versies van de werkelijkheid. Ook Sprangers voerde modelmatige erosieproeven uit. Of deze proeven de complexe dynamiek van de kustzone en rivieren goed reflecteren, moet nog blijken

Dat Rijkswaterstaat ernaast kan zitten bij zijn bepalingen van de veiligheid van dijken, is volgens Rackhorst niet uitgesloten. Rijkswaterstaat bepaalt de vereiste breedte en hoogte van zeedijken op grond van de Deltanorm, een storm die nog heviger is dan in het rampjaar 1953. Maar elke keer komen ze tot andere conclusies. In 22585 bepaalden ze dat de dijken hoger moesten. Een paar jaar later wees het nieuwe model Hiswa uit dat de dijken lager konden. Nu is er weer een ander model, en moeten de dijken weer hoger. Het probleem is dat er wordt beknibbeld op metingen van echte golfcondities aan de kust.

Rackhorst is ook sceptisch over het belang van natuurtechnisch beheer voor zeedijken. Volgens hem was er de laatste twintig jaar vrijwel geen schade aan dijkbekledingen. Wondergem ziet het anders: Nu zijn er geen grote problemen maar we moeten ze wel voor zijn. Als door slecht beheer het dijkgrasland in beroerde staat is, heb je bij hevige storm een grotere kans op schade aan de grasmat. En als de mat weg is, is de dijk ook zo weg.

Re:ageer