Student - 5 oktober 2006

Zieke vissen in Vietnam

Vijf maanden lang was Annette Boerlage de rechterhand van een Vietnamese promovenda. Ze assisteerde bij haar onderzoek naar visziektes op de universiteit van Can Tho in de Vietnamese Mekongdelta. De zesdejaars Visteelt en visserij zette proeven op in het lab, begeleidde studenten, en ging mee op bezoek bij boeren.

‘Mijn stagebegeleidster Tu Than Dung doet een PhD bij de universiteit in Gent, maar het praktische werk doet ze in Vietnam. Ik heb haar bijgestaan bij het opzetten van haar onderzoeksvoorstel en haar experimenten. Ze heeft ook experimenten bij visboeren in de omgeving lopen en gaf hen voorlichting over waterkwaliteit en ziektecontroles, vaak in zaaltjes van de partij. Daar ging ik ook mee naar toe.
De visboeren zijn arm, wonen in hutjes met niet meer dan een bed en een tv, en hun visvijvers zijn soms niet groter dan zes vierkante meter. De hele familie doet zijn best geld te verdienen. Ik heb eens met een jongetje van zes zitten vissen. Ik ving er één, hij twaalf. Op de fiets ging hij naar de markt om ze te verkopen.
Als we langskwamen mochten de boeren zieke vissen meenemen. Met een Vietnamese student zette ik die dan op plaat voor labonderzoek, een gratis extraatje om te zorgen dat boeren kwamen. Alleen wilden ze ook allemaal rijstwijn met je drinken, dus dan was je om één uur ’s middags al een beetje dronken.
Het was niet makkelijk om wetenschappelijk goede proeven te doen. In het begin kregen de vissen bijvoorbeeld niet altijd twee keer per dag te eten omdat degene die ze zou voeren niet kwam opdagen. En als er ’s avonds iets ongewoons gebeurde werd dat niet genoteerd. In Nederland worden afspraken en gebeurtenissen op papier vastgelegd. Er zijn tenslotte regels over de omgang met proefdieren. Daar heb ik dus ook aan gewerkt; je kunt er proeven erg mee helpen.
Ik woonde bij mijn begeleidster in huis. Dat was geweldig leuk. Er moest wel toestemming voor komen van de lokale politie. Ik was de eerste buitenlander die ooit in dat district overnachtte. Naast haar man en twee kinderen wonen er neefjes en nichtjes van familie op het platteland bij haar, die in de stad naar school gaan of werken. Daarnaast heeft ze tien kamers, met vier tot zes studenten per kamertje, voor studenten die goed kunnen leren maar weinig geld hebben. Ze probeerde echt mensen te helpen.
Ik heb die vijf maanden eigenlijk de hele tijd doorgewerkt, maar ik heb veel geleerd. Ik heb protocollen gemaakt voor onderzoek, en contact gehad met professoren over de hele wereld.‘

Re:ageer