Organisatie - 21 juni 2007

Zieke Fons

‘Ik ben weliswaar reeds halverwege mijn lunch’, zegt Fons Werrij hardop. ‘Maar ik kan me niet voorstellen dat ik al zoveel wijn heb gedronken dat ik dingen zie die er niet zijn.’
Werrij hapt het stukje truffel van zijn vork en slaat er dan mee op de geharnaste man, die tegenover hem aan de eettafel heeft plaatsgenomen. Een metalen galm vult het vertrek.
‘Geen hallucinatie’, constateert Werrij opgelucht. ‘Ik ben nog steeds in het bezit van mijn niet onaanzienlijke geestelijke vermogens.’
‘Sinds je afscheidsrede in Nijmegen ben ik daar niet zeker van, vriend Fons’, zegt de man in het middeleeuwse harnas. ‘Hoe kom je op het idiote idee dat wij in Wageningen provinciaal zijn?’
‘Die stem ken ik’, zegt Werrij. ‘Dat is…’
De ridder draait het vizier van zijn helm naar boven. ‘En niemand anders’, zegt Rudy Rabbinge sotto voce. ‘Vanwaar die onredelijke afkeer van het Wageningse, Bourgondische nestbevuiler?’
‘Ik heb niets gezegd over Wageningen’, zegt Werrij. ‘Ik had het over de landbouwwetenschappen in het algemeen en…’
‘Kun je in onze kantines niet de stadse broodjes kopen waar je smulpaperige gehemelte zo naar verlangt?’
‘…en van de landbouwwetenschappen moet ik nu eenmaal constateren dat ze zich ontwikkelen in een zelfgekozen isolement.’
‘Geneer je je voor onze trekkers op de wegen?’, vraagt Rabbinge. ‘Voor onze klompen in de gang?’
‘Jij draagt geen klompen’, weet Werrij.
‘Is het nooit in je opgekomen dat je eigenlijk vooral zelf provinciaals bent? En dat je je afkeer van jezelf projecteert op de wakkere mannen en vrouwen van landbouwonderzoek? Arme, zieke Fons.’
‘Rudy, alsjeblieft’, steunt Werrij. ‘Beledig me gerust, maar bespaar me je provinciaalse woordgrapjes.’
‘Ridder Rudy voor jou’, zegt Rabbinge, krabbend aan zijn metalen borstplaat. ‘Hare Majesteit heeft mij onlangs – voor de tweede keer alweer - geslagen tot ridder.’
‘Dat is toch nog hard aangekomen’, zegt Werrij.

Re:ageer