Wetenschap - 1 januari 1970

Zet dat maar op een tegeltje

Na jaren sloven is het proefschrift af. Eindelijk op adem komen. Tot de begeleider begint over stellingen. Oh verhip ja, stellingen. Die wetenschappelijke gaan nog, maar de ‘maatschappijrelevante’ zijn lastig. Veel promovendi nemen hun toevlucht tot trivialiteiten of regelrecht jatwerk. En als ze wel een originele mening verkondigen, wordt er tijdens de promotie zelden iets mee gedaan. Wat te doen met het ondergeschoven kindje van de alma mater?

Confucius is populair onder promovendi die niet zelf een stelling kunnen bedenken.

Gezucht op de redactie van Wb. Er moet weer een prikkelende stelling op de achterpagina. Eentje waar de lezer wijzer van wordt. Of boos. Of waar hij op zijn minst om moet gniffelen. Maar na het doorploegen van een paar dozijn stellingen is er slechts hier en daar een schouder opgehaald. ‘In central Uganda a feast without bananas is a feast without food.’ Goh. ‘Commercie en originaliteit gaan in de muziekwereld bijna nooit samen.’ Tja. De meest uitgesproken reactie volgt op ‘wisdom and understanding is better than silver and gold’. Alle tenen staan krom in de schoenen.
Een vluchtige analyse van een jaargang Wageningse stellingen, op losse velletjes bij de proefschriften gevoegd, leert dat dergelijke tegeltjeswijsheden vooral populair zijn onder buitenlandse promovendi. Wat te denken van ‘poor people can be rich in heart and knowledge’. Of ‘it is important to remember that one of the ceaseless wonders of the world is the power of a smile.’ Maar ook een enkele Nederlander bezondigt zich eraan. Zoals de aio die schrijft: ‘Een dag niet gelachen is een dag niet geleefd’. Hadden we die niet ergens in de wc zien hangen? Vroeger, bij oma?

‘Het enige voordeel van stellingen is dat ook familie en vrienden ze gelezen’
Jatten, verhuld of onverhuld, is heel gebruikelijk. Spreekwoorden uit alle uithoeken van de wereld worden zonder blikken of blozen als stelling opgevoerd. Zo schijnen pygmeeën te vinden dat ‘it is better to have no law than not enforcing it.’ En wie geen obscuur uitheems gezegde kan vinden, bladert door een citatenboek. Buitenlandse promovendi laten daarbij hun oog vallen op grote denkers als Kant of Confucius. Nederlanders houden het bij de wat mindere goden: Midas Dekkers, Stephen Wright. Ik neem het allemaal niet zo serieus, lijken ze hiermee te willen zeggen. En die indruk wordt bevestigd door zelfbedachte trivialiteiten zoals ‘op een ijsberg groeit geen sla’, en ‘Wageningers spreken altijd de waarheid want ze wonen onder Ede’.

Geen toefje
Die laatste verzinsels zijn nog wel goed voor een glimlach en daardoor geschikt voor de achterpagina van Wb. Maar wetenschappelijk te verdedigen zijn ze net zomin als wijsheden van Boedha of levenslessen uit grootmoeders tijd. Daarom zijn ze prof. Rudy Rabbinge ook een doorn in het oog. De universiteitshoogleraar, binnen het College voor Promoties onder meer verantwoordelijk voor de beoordeling van stellingen, meent dat veel academici te weinig waarde hechten aan de traditie. ‘Het is geen grapje, geen toefje. Stellingen dienen om blijk te geven van een bredere algemene en academische vorming. Niet voor niets hebben wij een paar jaar geleden de instructies in het promotiereglement aangescherpt.’
In het aangepaste reglement staat dat een promovendus tenminste zes en maximaal acht stellingen moet maken, ‘waarvan twee op het onderwerp van het proefschrift of het proefontwerp betrekking hebben, twee tot vier stellingen betrekking hebben op een ander wetenschapsgebied en twee maatschappijrelevante stellingen’. Stellingen mogen ‘niet in strijd zijn met de goede zeden’, en het college voor promoties verstaat onder stellingen ‘bondig geformuleerde beweringen op wetenschappelijk gebied die zodanig zijn geformuleerd dat zij vatbaar zijn voor bestrijding en verdediging’.
In die laatste bepaling klinkt de oorsprong van de stellingen door. Die zijn ongeveer even oud als de Leidse universiteit, opgericht in 1575. Belangrijkste doel van het academische onderwijs in die tijd is het kweken van eruditie, wat volgens Van Dale zoveel betekent als ‘uitgebreide kennis, gepaard met smaak en kritische zin’. Bij een promotie ligt de nadruk niet op de dissertatie maar op het twistgesprek tijdens de plechtigheid. De promovendus publiceert vooraf stellingen - vaak niet eens zelf geformuleerd - over verschillende wetenschappelijke terreinen, en als hij die goed overeind weet te houden, mag hij zich voortaan doctor noemen. Pas in de loop van de achttiende eeuw wordt specialistische vakkennis, en daardoor de thesis zelf, belangrijker.

Appendix
Dat stellingen in de huidige, hoogst gespecialiseerde academische praktijk nog bestaan, heeft vooral te maken met gevoel voor mores, zegt prof. Willem Otterspeer, bijzonder hoogleraar Universiteitsgeschiedenis aan Universiteit Leiden. ‘Het is een appendix, en dat bedoel ik letterlijk: een lichaamsdeel dat geen functie meer heeft. Maar dat lichaamsdeel moeten we zeker behouden, als een zinvolle verwijzing naar een schitterend verleden.’
Zinvol. ‘Wisdom and understanding is better than silver and gold.’ Is dat zinvol? Nee, zegt Otterspeer. ‘Het moet wel op academische wijze gebeuren. Dat wil zeggen dat er sprake moet zijn van originaliteit. En binnen de stelling moet ruimte zijn voor ontkenning. Want als je het doet voor de vorm, dan moet de vorm ook goed zijn. De promotor moet daarop toezien.’ Dat klopt, zegt Rudy Rabbinge. ‘Ik haal wel eens elementaire foutjes uit de stellingen, ook al is dat niet mijn taak. Maar ik kijk niet of ze wel verdedigbaar zijn, dat moet de promotor doen. Ik ben niet mijn broeders hoeder.’
Ja, leuk gezegd, reageert hoogleraar Sociologie van consumenten en huishoudens prof. Anke Niehof, maar een promotor heeft nog wel iets beters te doen dan zich druk maken over het niveau van stellingen waar verder toch niets mee gebeurt. ‘Het is alleen maar een extra burden. Dan is het proefschrift eindelijk af, moet je nog die stellingen gaan maken. Ik probeer natuurlijk wel zo kritisch mogelijk te zijn. Die van wisdom and understanding zou er bij mij zijn uitgegooid. Dat moeten ze maar op een tegeltje zetten en boven hun bed hangen. Maar ik vind het een crime. Van mij mogen ze ze afschaffen.’
Dr Marcel Zandvoort, eind maart gepromoveerd op een onderzoek naar anaërobe waterzuivering, zou daar niet van wakker liggen. ‘Het is mosterd na de maaltijd. En heel vervelend. Ik had een minimale periode tussen het indienen van het proefschrift en het promoveren. Ik was net een nieuwe baan begonnen en toen moest ik tussendoor nog die stellingen maken.’
En dan is Zandvoort als Nederlander nog min of meer bekend met de traditie. Buitenlandse promovendi moet je eerst het verschijnsel nog helemaal uitleggen, weet socioloog prof. Kees de Hoog. ‘Bij de wetenschappelijke stellingen gaat alles nog goed, maar bij de maatschappelijke krijg je vaak te maken met de beleefdheidscultuur. Het is bijvoorbeeld heikel om je te bemoeien met het beleid van de universiteit. Of om iets te zeggen over de situatie in eigen land. Dus nemen ze hun toevlucht tot Aristoteles of Confucius, daar kun je je geen buil aan vallen. De promotor kijkt er wat glazig naar en zegt: tja, dat kan wel.’

Domineescultuur
Natuurlijk zijn er ook wel voorbeelden van originele stellingen die wél aan de eisen in het reglement voldoen. Zo legt Beatriz Torres Beristain fijntjes haar vinger op een Hollandse zere plek: ‘When a country has too many rules, something is missing in the spirit of its people.’ ‘Eigenlijk wilde ik iets zachters zeggen’, vertelt de Mexicaanse aio die op 15 april haar proefschrift verdedigt. ‘Ik vind het moeilijk om stellig iets te beweren zonder meteen te beseffen dat er ook een andere kant is. Ik had daarom een citaat van een Mexicaanse dichter uitgezocht. Maar mijn promotor zei dat het sterker moest.’
Nederlanders slagen er nog vaker in om een pittig eigen geluid te laten horen. Niet verwonderlijk gezien onze ‘domineescultuur’, zegt Kees de Hoog. ‘Dat hebben wij in ons, dat opgeheven vingertje.’ Zo geven promovendi graag de politiek een veeg uit de pan: ‘Ondanks de retoriek is de belangrijkste norm die door het huidige kabinet wordt uitgedragen de 3%-norm’. Of ze houden anderen een spiegel voor: ‘Verwoede pogingen om onze privacy te beschermen staan in schril contrast met het gemak waarmee we via de gsm persoonlijke gesprekken voeren in het openbaar vervoer’.
Deze goede voorbeelden staan volgens Rudy Rabbinge niet op zich. Hij meent dat de stellingen minder triviaal en ludiek zijn geworden sinds in 2000 de voorschriften zijn aangepast. Ook komt het volgens hem regelmatig voor dat opponenten en promotoren tijdens de plechtigheid daadwerkelijk op de stellingen ingaan. ‘Wij bevorderen dat. De cultuur moet weer ontstaan dat we aandacht besteden aan het brede academische debat. Ik zie dat wel groeien.’

Verstrooiing
Maar is dat wel zo realistisch? Het zeventiende-eeuwse discussiecollege, waar de promotie op stellingen destijds bij aansloot, bestaat alleen nog in geschiedenisboeken. Als er al een discussie ontstaat tijdens een college is dat bij toeval, niet omdat het aanleren van debattechnieken onderdeel uitmaakt van het onderwijs. ‘In de onderzoekscholen wordt met de bètagamma-interactie nog wel een poging gedaan om de aio uit zijn eigen vakgebied te halen’, zegt kersverse promovendus Zandvoort. ‘Maar het is allemaal nogal geforceerd. En dat geldt ook voor de stellingen, zeker nu de regels strenger zijn geworden. Voorheen leverden mensen twaalf stellingen in waarvan er zeven superludiek waren. Nu moeten ze wetenschappelijk of ‘maatschappijkritisch’ zijn, maar wat de wereld daarmee opschiet, dat zie ik niet.’
En Zandvoort zal niet de enige zijn die het formuleren van stellingen zoals omschreven in het reglement heeft ervaren als een zinloze exercitie. Logisch, want de traditionele stelling is nauwelijks meer geworteld in het hedendaagse universitaire onderwijs. De academicus moet aan het eind van zijn opleiding ineens blijk geven van iets wat in de loop van zijn studie nauwelijks aandacht kreeg.
Het enige voordeel van stellingen is volgens Zandvoort dat ze, in tegenstelling tot het proefschrift, ook door familie en vrienden worden gelezen. Die hebben iets te doen totdat het hora est klinkt, en krijgen door dat ene A4tje met gewonemensentaal het gevoel dat ze niet volslagen achterlijk zijn. En zo heeft de eeuwenoude traditie een geheel nieuwe functie gekregen: verstrooiing. Niet overbodig in een zaal vol stoffige toga´s en wetenschappelijk abracadabra.
Maar om stellingen werkelijk tot amusement te maken, moet het allemaal wel wat minder zwaar en saai. Dus, beste promovendi, vergeet alsjeblieft de voorschriften, gooi het weer over de ludieke boeg en geef dat lekenpubliek iets om te lachen. Dan heeft de redactie van Wb meteen ook bruikbare vulling voor de achterpagina.

Lieke de Kwant

Re:ageer