Wetenschap - 24 september 2014

Zeeland is ingepolderd zonder poldermodel

tekst:
Albert Sikkema

Het befaamde Nederlandse poldermodel is niet in de Zeeuwse polders ontstaan, concludeert de Wageningse historicus Piet van Cruyningen. De gedachte dat lokale boeren zich verenigden in waterschappen om samen tegen het water te strijden, strookt niet met de werkelijkheid.

Zeeland werd in de late Middeleeuwen voortdurend geteisterd door overstromingen, omdat de toenmalige landeigenaren niet investeerden in dijken. ‘Zeeuws-Vlaanderen stond voor 80 procent onder water’, zegt Van Cruyningen. Pas toen welvarende handelaren uit de stad in de 17de eeuw gingen investeren in de aanleg van polders en dijken, kregen de Zeeuwen droge voeten. Behalve Walcheren, dat ruim boven NAP lag, werd heel Zeeland ingepolderd. Stukje bij beetje, met geld van de VOC en andere handelsondernemingen uit Middelburg en Holland.     

Inpolderen was een dure klus. Voor het inpolderen van 500 hectare land was je 100.000 gulden kwijt, zegt Van Cruyningen. De boeren hadden dat geld niet, de adel en kerk ook niet. Maar in Middelburg, dat een kwart van de schepen van de Verenigde Oost-Indische Compagnie leverde, zat veel geld. De VOC-handelaren investeerden in inpoldering: naar rato van hun investering kregen ze grond toegewezen in de nieuwe polder, die ze met winst doorverkochten of verpachten aan ambitieuze boeren. Die gingen op grootschalige wijze tarwe, gerst, vlas en meekrap verbouwen.

Uit eigendomspapieren uit die tijd maakt Van Cruyningen op dat ook veel kooplieden uit Amsterdam en Rotterdam en hoge ambtenaren uit Den Haag in de Zeeuwse inpoldering investeerden. Naarmate de inpoldering vorderde, ontstonden steeds meer conflicten. Bijvoorbeeld tussen de buitenste polders die moesten opdraaien voor het onderhoud van de zeedijk, en de binnenste polders die daarvan profiteerden. Als gevolg kwam de overheid met steeds meer regels. Uiteindelijk, eind 18de eeuw wordt het dijkonderhoud een staatszaak met de komst van Rijkswaterstaat.

Er werd in die tijd weinig gepolderd in de polder, zegt Van Cruyningen, ook niet door de waterschappen. ‘De waterschappen waren geen democratische organisaties. Voor stemrecht had je bijvoorbeeld minimaal 20 hectare grond nodig. De elites bestuurden.’ Wel werd hier de kiem gelegd voor het poldermodel, zegt de historicus. De bestuurders van de schappen stonden overleg tussen boeren en buitenlui zonder stemrecht toe, met name om conflicten te voorkomen en op te lossen. Het gepolder bleek vooral bedoeld om droge voeten te blijven houden.

Lees het complete verhaal in Resource magazine.