Wetenschap - 1 januari 1970

Wisselende reacties op vogelpestrapport Wageningen UR

Wisselende reacties op vogelpestrapport Wageningen UR

Wisselende reacties op vogelpestrapport Wageningen UR


Rob Tazelaar, oud-voorzitter van het productschap Pluimvee, Vlees en Eieren
(PVE) en inmiddels gepensioneerd, is niet onder de indruk van het rapport
over de vogelpest van de door Wageningen UR ingestelde werkgroep onder
leiding van prof. Den Hartog, dat vorige week uitkwam. Anderen zijn
positiever.

In een reactie op het rapport zegt ir Rob Tazelaar dat hij weinig nieuws
gelezen heeft. ,,Er spelen twee dingen door elkaar. De dierziektes en de
economische positie van de sector. Die laatste was altijd al slecht. We
kunnen door de toegenomen vrijhandel niet meer op kostprijs concurreren en
moeten ons dus richten op kwaliteitsproductie. Maar om dat te bedenken heb
ik geen duur wetenschappelijk rapport nodig. Dat kan elke boerenlul
bedenken.’’ Wel is Tazelaar blij met de erkenning dat vogelpest niets te
maken heeft met de intensiteit van de sector, iets wat hij overigens zelf
ook al wist te vertellen. Wat hij mist is meer onderzoek naar hoe het virus
van de klassieke vogelpest überhaupt in de pluimveehouderij terecht is
kunnen komen. Want het gaat er volgens hem om dat in de toekomst te
voorkomen.

Een genuanceerde reactie uit de sector zelf komt van Jan Wolleswinkel,
voorzitter van de Nederlandse Organisatie van Pluimveehouders, onderdeel
van LTO. ,,Het is een zinvol rapport. Het zet op wetenschappelijke wijze de
feiten op een rij, en die onderschrijven we. De intensiteit van de sector
staat los van de uitbraak van vogelpest, en de beperking van uitbreiding
van het virus moet gezocht worden in de contacten tussen bedrijven binnen
de sector.’’ Minder is Wolleswinkel te spreken over het voorstel een
verzekering op te zetten voor pluimveehouders, die dan zelf de premie
betalen. ,,Bij een verzekering horen vaste voorwaarden, maar die veranderen
door het onvoorspelbare beleid van Brussel.’’ Wolleswinkel is het ermee
eens dat de sector zelf meer aan toekomstige crisissen moet bijdragen, maar
wil dat alleen doen via het al bestaande diergezondheidsfonds. Ook wil hij
daar alleen over doorpraten als ook andere veehouders eraan meedoen. Verder
vindt hij dat meer moet worden aangedrongen op overleg in de EU over
vaccinatie.

Hoogleraar rurale sociologie prof. Jan Douwe van der Ploeg, doorgaans
kritisch, is ‘aangenaam verrast’ door het rapport. ,,Verschillende
onderzoeken en rapporten over de veehouderij, zoals het rapport Wijffels en
nu dat van Den Hartog, geven aan dat de zaak vast zit en dat er verandering
moet komen. Sleutelwoord daarbij is differentiatie. Er is een diversiteit
aan pluimveehouders die niet over een kam te scheren zijn en waarvoor
verschillend beleid moet komen. Daarnaast moet de industriële productie
inzetten op beheersing van risico's en betere registratie van contacten op
bedrijven. Maar voor een bedrijf dat een eigen winkel bij het bedrijf heeft
en daar biologische eieren verkoopt is dat natuurlijk geen strategie. Er
moet een lappendeken van regimes ontstaan en ik denk dat het rapport van
Den Hartog daar een belangrijke opening toe biedt. Het rapport pleit voor
differentiatie op de Noordwest-Europese markt en neemt afscheid van de
wereldmarkt als ordenend principe. Ook stelt het rapport dat krimp van de
sector mogelijk en nodig is en legt het geen veterinair regime vanuit de
industriële sector op aan andere vormen van pluimveehouderij. Het rapport
heeft kritiek op de stroperigheid van overleg en legt meer
verantwoordelijkheid bij betrokkenen. Het idee van compartimentering wordt
afgewezen omdat het niet haalbaar is en dat is zeer terecht. En ten slotte
legt het ook verantwoordelijkheid bij de productiekolom als geheel en niet
alleen bij primaire producenten. Dus ook verwerkers en toeleveranciers
moeten meer verantwoordelijkheid nemen.’’

Ook dr Peter Groot Koerkamp, landbouwtechnoloog bij het IMAG, kan de grote
lijn van het rapport onderschrijven. ,,De contactstructuur wordt als
belangrijkste invloedsfactor op de verspreiding van dierziektes genoemd.
Mijns inziens had dat wel duidelijker en prominenter als resultaat kunnen
worden gebracht. Verder valt tussen de regels door te lezen dat het
‘insleeprisico’ van een virus van buiten de sector de komende jaren eerder
zal toenemen dan afnemen. Zodat we dus bedacht moeten zijn op nieuwe
uitbraken van meer en minder besmettelijke dierziekten. Ook dit had wel
prominenter gebracht moeten worden. Want we kunnen aan de introductie van
ziektes van buitenaf dus eigenlijk niet zo veel doen. Beheersing op dit
punt lijkt ondoenlijk.’’ |
J.T.

Re:ageer