Wetenschap - 1 januari 1970

Wij hebben geen ammoniakprobleem

Wij hebben geen ammoniakprobleem

Wij hebben geen ammoniakprobleem

Debat tussen proefbedrijven De Marke en Minderhoudhoeve

Aan het eind van de lange discussie zijn ze eruit, de onderzoekers van twee markante proefbedrijven binnen Wageningen UR. Het grootste verschil tussen beide bedrijven blijken de onuitgesproken uitgangspunten. De Minderhoudhoeve heeft, als niet-ecologisch bedrijf, toch ecologische landbouwprincipes als basis. De Marke gaat uit van de gangbare landbouwpraktijk. Daardoor maken beide verschillende keuzes, zoals in het gebruik van maïs als veevoer en organisch materiaal als mest


De helft van de wetenschappers vindt ons onderzoek niks, omdat je de uitkomsten niet statistisch kunt onderbouwen, zegt dr ir Frans Aarts, onderzoeker bij De Marke. De wetenschap is nog steeds traditioneel.

Absoluut, reageert dr ir Egbert Lantinga van de Ir A.P. Minderhoudhoeve. Dat is een serieus probleem. De overheid en de sector willen verder. Zij willen dat meer landbouwkundig onderzoekers onze benadering oppakken, maar de wetenschap wil tijd om zaken goed uit te zoeken.

Vier landbouwkundigen discussiëren drie uur lang in hotel De Wereld in Wageningen over hun bedrijfssysteem. Voor De Marke spreken bedrijfsleider ing. Carel de Vries en ir Frans Aarts, onderzoeker bij het Instituut voor Agrobiologisch en Bodemvruchtbaarheidsonderzoek (AB-DLO). Voor de Minderhoudhoeve staan dr Egbert Lantinga, onderzoeker bij het departement Plantenwetenschappen, en dr Jaap van Bruchem, onderzoeker bij Dierwetenschappen en de Minderhoudhoeve. Met argusogen bekijken ze elkaars bedrijven. Maar tegelijkertijd staan ze open voor elkaars meningen en suggesties. Vol enthousiasme storten ze zich dan ook, op verzoek van Wb, in een discussie over opzet en uitgangspunten van hun bedrijven

Direct aan het begin van de discussie blijkt een belangrijke overeenkomst. Als oon man staan ze achter de onderzoeksmethode op beide bedrijven: prototypering, ofwel bedrijfssystemenonderzoek. Het uitgangspunt is niet het doen van gecontroleerde proeven in laboratoria of op proefvelden, maar het experimenteren met complexe bedrijfssystemen in de praktijk. Deze proberen ze te verbeteren door systematisch vernieuwingen door te voeren, en vervolgens te bekijken in hoeverre het bedrijf hiermee dichter bij de doelstellingen komt

De prototype-benadering ontwikkelen en verdedigen is zo ongeveer het grootste obstakel voor de vier landbouwkundigen. Er zijn immers nog maar weinig landbouwkundigen die hier feeling mee hebben. Van Bruchem: Maar het gaat de goede kant op in Wageningen UR. Bouma noemde in zijn diesrede toch ook de prototypebenadering als onderzoeksmethode van de toekomst. Steeds meer mensen komen erachter dat we de gangbare benadering van proefje-proefje-proefje niet meer kunnen gebruiken.

Perspulp

Oneens zijn de vier het over het gebruik van maïs als veevoer. De Marke-bedrijfsleider De Vries meent dat maïs, mits in een juiste balans met granen en gras, uitstekend voer is voor de koe. Dat baseer ik op enorm veel ervaring uit de praktijk.

De Minderhoudhoeve wil maïs grotendeels uit het voerrantsoen hebben. Snijmaïs past minder goed bij een koe, zo is de filosofie. Van Bruchem: De celwanden van maïs verteren niet goed in de pens. Daarom willen wij zoveel mogelijk voer geven met goed verteerbare celwanden, zoals snijtarwe, gras, stro en perspulp.

Volgens de onderzoekers van de Minderhoudhoeve wordt de voedingswaarde van maïs overschat. De voederwaarde van snijtarwe wordt juist onderschat. AB-onderzoeker Aarts is het niet eens met deze negatieve waardering voor maïs. Ik heb onderzoek gezien waaruit bleek dat meer maïs in het voer leidde tot meer melk.

Van Bruchem: Dat is weer gangbaar onderzoek waarbij de proef wordt gedaan uit de context.

Dat laat Aarts niet op zich zitten. Hij wijst op de grotere oogstzekerheid van maïs, vooral op zandgrond. Maïs heeft weinig water nodig. Op de droge zandgrond van De Marke is dat een groot voordeel. Gras vraagt vier keer meer beregening

Lantinga wijst echter op de nadelen van maïsteelt. De teelt van graan is eenvoudiger. Je hebt geen onkruidproblemen en je oogst in de zomer; met de natte zomer vorig jaar hadden maïstelers meer problemen.

Aarts: Maar hoe kan het dan dat zoveel boeren maïs telen?

Van Bruchem: De boeren hebben problemen met hun gras. Door de hoge bemestingsadviezen is gras veel te structuurarm en eiwitrijk.

Kleimineralen

Een heikel punt in de discussie is de doelgroep van het proefbedrijf. Op welk soort boeren richt het bedrijf zich? Van Bruchem geeft de voorzet: Wij gebruiken op de Minderhoudhoeve meer ervaringskennis van boeren dan jullie.

Aarts reageert onmiddellijk: De voorzitter van ons bestuur is een boer. En voor de inhoud leunen we ook sterk op boeren. We hebben een wijd vertakt netwerk, werken met studiegroepen en geven lezingen. De Vries vult aan: Heel belangrijk is dat de boerenorganisaties De Marke ook betalen.

Lantinga: Ja, maar met wat voor soort boeren hebben jullie contact?

Aarts: De vooruitstrevende boeren.

Van Bruchem: Op welk punt vooruitstrevend?

De boeren op wie Aarts en De Vries doelen, zijn in de ogen van Van Bruchem en Lantinga niet vooruitstrevend. Van Bruchem: Een buitenstaander zou onze relaties met boeren maar eens moeten vergelijken. Ik denk dat wij het anders doen. De echt vernieuwende ideeën om stikstof beter te benutten komen niet bepaald van de vooruitlopende boeren en niet van de onderzoekers. Op het symposium De boer als ervaringswetenschapper van het Louis Bolk Instituut vertelde onlangs nog een boer: Ik ben een rijk man. Ik ben groot geworden door consequent te doen wat DLV niet vertelt. Wij varen op andere boeren dan jullie.

Van Bruchem doelt op boeren die de bodem beschouwen als een biologisch systeem. De wetenschapper voelt wel wat voor de verhalen van boeren die alternatieve bodemverbeteraars zoals kleimineralen en microbiële preparaten gebruiken. De boeren vinden dat deze middelen werken. Waarom zou dat dan niet kloppen? Volgens de onderzoeker is de gangbare onderzoeksmethode niet toegerust om dit te weerleggen. De proefjes worden immers gedaan volgens de reductionistische methode

Bewijs

Van Bruchem: Als een boer enthousiast is over een kleimineraal, onderzoek je of er meer boeren zijn die ervaren dat het werkt. Als dat er genoeg zijn, heb je een bewijs. Persoonlijk denk ik ook dat je met goede mest de bodem zodanig verbetert dat zulke toevoegingen niet meer nodig zijn, maar zeker weten doe ik het niet.

De Vries: Wij staan op De Marke open voor alle nieuwe technieken. Maar wat ik hier mis is een goede hypothese waarom zulke bodemverbeteraars zouden kunnen werken.

Lantinga: Ik heb bij boeren gez354en dat toevoeging van nuttige micro-organismen werkt. Het gras wordt veel beter afgegraasd.

De Vries: Dit soort dingen hoor je heel vaak. Bij elke boer kun je een verhaal halen over een of ander vaag middel dat goed werkt. Prima. Als die middelen echt zo grensverleggend zijn, is het de taak van landbouwkundigen ze te onderzoeken en adviezen te genereren.

Aarts: Als we en geen hypothese hebben en er zijn maar weinig boeren die het gebruiken, dan blijft er weinig reden over om duur onderzoek op te zetten.

Van Bruchem: Wij gaan nu de werking van bodemverbeteraars onderzoeken met boeren van het Mineralenproject Friese milieucoöperatie VEL & VANLA. Zo'n participatieve manier van onderzoek doen is goedkoop, en je creëert automatisch draagvlak. Een van de dingen die misschien zal blijken is dat we ons referentiekader moeten verbreden.

Rekenregels

De tegenstelling gangbaar versus alternatief komt ook naar voren bij de werkwijze van beide proefbedrijven. Van Bruchem verwoordt het zo: De Marke optimaliseert de diercomponent, ze optimaliseert de bodemcomponent en ze vermindert het mineralenverlies. Ons idee op de Minderhoudhoeve is: je moet je winst niet primair halen uit het optimaliseren van deelsystemen, je moet streven naar het optimaliseren van hele systemen en naar zelfregulatie.

Aarts: Oko, jullie werken vanuit ecologische principes. Dat mag. Wij zijn een gangbaar bedrijf. Wij willen aanhaken bij de principes zoals 99 procent van de veehouders die volgen. En dan zeggen we: organische stikstof werkt niet, behalve wanneer deze is gemineraliseerd.

Lantinga: Wij staan ervan versteld hoe het werkt. Van Bruchem: Wij hebben geen ammoniakprobleem en raken geen stikstof kwijt.

Aarts: Jullie wijken af van de gangbare rekenregels. De Vries: Maar qua milieuresultaat kunnen we wel bij elkaar komen.

Van Bruchem: Inderdaad. Er is nu grasklaver op De Marke en jullie gaan ook meer granen gebruiken in plaats van maïs. Maar jullie vertrekpunt blijft de gangbare rekenregels en de gangbare kennis. Daar moet je toch mee oppassen.

Aarts: Ik vraag me af: als de voordelen van geen kunstmest zo gigantisch zijn, waarom zijn dan zoveel boeren nog niet omgeschakeld?

Lantinga: De voorlichting en de agro-industrie werken tegen. De boeren krijgen nog steeds stikstofadviezen en veevoeradviezen die totaal niet passen bij een duurzame bedrijfsvoering. In die adviezen hebben ze meer vertrouwen dan in andere boeren.

Aarts: Ik geloof niet dat boeren zo stom zijn dat ze zomaar deze adviezen overnemen.

Lantinga: De veevoederindustrie heeft zeer veel macht. Hun voorlichters rekenen de boeren met computers precies voor hoeveel krachtvoer en mest ze moeten kopen.

Aarts: Het is logisch dat veehouders zoveel kunstmest strooien. Meer kunstmest geeft een hogere veevoerproductie op het land.

Van Bruchem: De bodem gaat zo verloren.

Aarts: Op de arme zandgronden is de bodem landbouwkundig gezien beter dan vroeger.

Wandelpaden

Alle vier de landbouwkundigen willen af van het gangbare economisch denken waarbij de boer bijna niet anders kan dan de korte termijn te laten prevaleren boven de lange termijn. Zo worden milieukosten en de stijgende kosten van de grond nog niet in het vlees of de melk doorberekend. De samenleving betaalt boeren nog niet voor extra producten als schoon water, leuke wandelpaden en het tegengaan van verdroging. Als we zo doorgaan, waarschuwt Van Bruchem, blaast het systeem zichzelf op. Praktisch probleem bij de invoering van zo'n nieuwe manier van economisch redeneren is dat de wereldmarkt liberaliseert en de Nederlandse boeren moeten concurreren tegen steeds lagere prijzen

Toch is verandering te verwachten. Het gemengde bedrijf zal terugkomen, denken de onderzoekers. Maar in een andere vorm dan vroeger en waarschijnlijk niet meer als gezinsbedrijf; het is te veel voor oon boer om zich in al die verschillende teelten en in dieren te specialiseren

Lantinga: In de polder verwacht ik verregaande samenwerking tussen akkerbouwers en veehouders. De akkerbouwer krijgt een ruimere rotatie en de veehouder heeft nieuw grasland erbij. Met een ruimere vruchtwisseling heb je minder gewasbeschermingsmiddelen nodig.

Aarts: Maar als de grondprijs honderdduizend gulden per hectare wordt, valt de akkerbouw als eerste af. Dat beperkt de mogelijkheden tot samenwerking.

Van Bruchem: Ik denk dat Nederland er verstandig aan doet om een basishoeveelheid akkerbouwareaal te behouden, dat samen gaat met de veehouderij. Dieren benutten het gras en kunnen waardevolle mest leveren.

Aarts: Al 25 jaar wordt over samenwerking gediscussieerd. De boeren zien best de voordelen, maar ze vinden het te veel gedoe. Ze hadden toch geld genoeg. Mogelijk gaan ze wel samenwerken nu het voor hen moeilijker wordt.


Marianne Heselmans

foto's Guy Ackermans

tekening Henk van Ruitenbeek

Re:ageer