Organisatie - 28 juni 2007

Wie waakt er over het Engels?

Wageningen Universiteit is internationaal, en dus wordt een groot deel van het onderwijs in het Engels gegeven. Logisch. Maar wat gebeurt er als niet alle spelers in het academische proces deze taal goed beheersen? Weinig, zeggen kritische studenten en docenten. ‘Niemand op deze hele universiteit is verantwoordelijk voor het Engels. En je leert het niet vanzelf.’

59_achtergrond0.jpg
‘De ambitie van Wageningen Universiteit om internationaal te zijn levert frictie op in het onderwijs’, zegt Lindsey Wuisan, bestuurslid van de Wageningse studentenvakbond WSO. ‘Veel studenten spreken en schrijven niet genoeg Engels om goed mee te draaien in het onderwijs, laat staan dat ze een positieve bijdrage kunnen leveren. Het wordt vooral aan de studenten zelf overgelaten, ze moeten zichzelf maar redden. Engels wordt niet onderwezen en al helemaal niet getoetst.’
De WSO en de fracties in de studentenraad maken zich zorgen over het feit dat er geen duidelijke regelingen zijn rond het Engels, terwijl dat wel oprukt in het onderwijs. Vanaf het tweede jaar van de bachelor mogen colleges al in het Engels worden gegeven. Het idee hierachter is dat de student zich de taal gaandeweg eigen maakt. Maar nergens in de bachelor is expliciete aandacht voor het Engels, signaleert de WSO. In de literatuur wacht de student een heel jargon aan nieuwe woorden, maar is de vraag of de basis goed genoeg is om de nieuwe woordenschat verantwoord te gebruiken.
Ook Arie Terlouw, docent van het jaar 2007, maakt zich zorgen. ‘Juist voor Nederlandse bachelors is het belangrijk dat zij op een goed academisch niveau onderwijs krijgen. Hoogwaardig academisch onderwijs is gebaat bij een optimale communicatie, waarbij de taal de hoofdrol speelt. Is de hoofdrolspeler gebrekkig ontwikkeld, dan kan alleen het academische niveau maar devalueren’, zegt hij.
In de master wordt de kans op problemen volgens de kritische studentenclubs nog groter, want dan komen studenten uit alle uithoeken van de wereld bij elkaar. Nieuwkomers krijgen het verzoek bij aankomst in Wageningen een Quick Placement Test (QPT) te doen bij talencentrum Centa. Als iemand onvoldoende scoort, volgt een gesprek met de studieadviseur. De student moet dan een cursus volgen.
De informatiesystemen van Centa en de centrale studenten administratie zijn echter niet aan elkaar gekoppeld, zegt Pieter Heringa van de Christen Studenten Fractie (CSF). Daardoor is volgens hem niet duidelijk welke studenten de test hebben gedaan en gehaald. Wel is bekend dat er dit jaar zo’n vijftig studenten de Basic User Course hebben gevolgd, het laagste niveau. Van hen kun je aannemen dat hun Engels eigenlijk niet goed genoeg is om aan het onderwijs deel te nemen.

Oppervlakkiger
Studenten zijn niet de enigen die problemen ondervinden. Bij docenten verloopt het ook niet vlekkeloos, vertelt Gerda Casimir, docent bij de leerstoelgroep Sociologie van consumenten en huishoudens. Hoewel ze geen moeite heeft om in het Engels les te geven, vind ze het in het Nederlands echt leuker. ‘Dan kan ik grapjes maken en meer lagen aanbrengen. In het Engels ben ik oppervlakkiger omdat ik een kleinere woordenschat heb.’
Om die woordenschat uit te breiden kunnen Casimir en andere docenten bij Centa een cursus volgen die speciaal is toegespitst op Engelstalige colleges. Hier wordt echter maar heel weinig gebruik van gemaakt. Blijkbaar zien docenten zelf weinig aanleiding om hun Engels te verbeteren.
Studenten zijn het daar weer niet altijd mee eens, want er wordt onderling veel geklaagd over het steenkolenengels van sommige docenten. Via de vakevaluatie kunnen ze die klachten ook officieel laten vastleggen, zodat een docent op zijn Engels kan worden afgerekend. Alleen leveren deze evaluaties vaak onduidelijke conclusies op. Zo gaven studenten Casimir een slechte beoordeling voor haar colleges. ‘Maar ik denk dat dat niet alleen met mijn Engels te maken had, maar ook met mijn manier van lesgeven, het onderwerp dat ik behandel en hoe ik overkom. Het is uit de evaluatie ook lastig in te schatten wie iets vindt en waarom. Het is niet duidelijk waarop je precies geëvalueerd wordt.’ Ondanks deze onduidelijkheid heeft Casimir zich aangemeld voor een taalcursus. ‘Die werd eerst twee keer uitgesteld omdat er te weinig aanmeldingen waren. Pas na anderhalf jaar wachten ging die van start.’

Slechte feedback
Simon Bush, Australiër en docent bij de leerstoelgroep Milieubeleid, kreeg tot zijn verrassing geen maximale score voor zijn Engels. ‘Ik vond het cijfer dat ik op de vakevaluatie kreeg best laag als je bedenkt dat het mijn moedertaal is. Sommige studenten verstaan me blijkbaar niet omdat ik te snel praat.’
Bush werd zoals gebruikelijk alleen geëvalueerd door de studenten die zijn colleges volgen. Dat lijkt logisch omdat studenten degenen zijn die een docent moeten kunnen begrijpen. Toch is het de vraag of een student die zelf geen native speaker is, zijn docent naar behoren kan beoordelen. Op het evaluatieformulier worden verschillende skills van de docenten bovendien niet uitgesplitst waardoor een beoordeling oppervlakkig blijft. En ondertussen weet iedereen dat er nog veel docenten rondlopen wier Engels te wensen overlaat.
Deze docenten moeten wel de papers en essays van hun studenten beoordelen. Het is nauwelijks verrassend dat zij zich niet in staat voelen om de taalvaardigheden van hun leerlingen te beoordelen. Die worden dus ook vaak niet meegewogen in het cijfer. ‘Ik heb begrepen dat leerlingen slechte feedback krijgen op hun essays en verslagen’, zegt Bush. ‘Zelf beoordeel ik apart op stijl en taalgebruik, daar stop ik veel werk in omdat het belangrijk is. Het Engels van studenten zou veel kunnen verbeteren als wij als docenten directe feedback geven. Als we dat niet doen omdat we er niet toe bereid zijn of niet genoeg zelfvertrouwen hebben, hoe kunnen we dan verwachten dat studenten vooruit gaan? Hoe kunnen ze het dan leren?’
Uiteindelijk is het Engels van studenten dus vaak een samenraapsel van hun eigen basis, vaktaal uit boeken en datgene wat ze leren van docenten en medestudenten die ook maar wat improviseren. Het resultaat is zeer matig, meent Ynte van Dam, docent bij de leerstoelgroep Marktkunde en consumentengedrag. Hij merkt dat bij zijn masterstudenten. ‘Het valt me op dat studenten tijdens colloquia moeite hebben om in korte tijd en onder druk in het Engels te formuleren waar hun onderzoek over gaat.’
Van Dam neemt dat de studenten eigenlijk niet kwalijk. Maar de universiteit wel. ‘Niemand op deze hele universiteit is verantwoordelijk voor de kwaliteit van het Engels. De taal is helemaal niet makkelijk en je leert het niet vanzelf.’

Eigen verantwoordelijkheid
Pim Brascamp, directeur van het onderwijsinstituut, vindt het verwijt van Van Dam overdreven. ‘Bachelors gaan we voortaan al vroeg testen zodat ze zich bewust worden van hun niveau en dat door een cursus of een zomer in het buitenland kunnen bijspijkeren. En ook in de master zijn we steeds strenger. De QPT wordt door de meeste studenten gedaan en door het advies dat ze krijgen is de aandrang groter om er iets aan te doen.’
Brascamp vindt het niet nodig om verplichtingen te verzinnen. ‘Dat heeft ook geen zin. Iedereen heeft wel een voorbeeld van een Chinees die gebrekkig Engels spreekt, maar dat soort voorbeelden zijn oud. Het gaat steeds beter, weet ik van de opleidingsdirecteuren. En dat is het gevolg van ons toelatingsbeleid. Wij laten studenten toe die voldoende Engels beheersen. Het is verder de verantwoordelijkheid van de student om zijn niveau te verbeteren als dat nodig is.’
Maar dat is makkelijk gezegd dan gedaan, ervoer Anda Istudor van studentenfractie Veste. ‘Ik haalde zestig procent op de QPT. Ik kreeg geen feedback, maar op eigen initiatief ben ik toch begonnen met een cursus Engels bij Centa omdat ik mezelf graag wil verbeteren. Het niveau bleek echt laag. De docent was niet in staat om vragen goed te beantwoorden en kende soms minder synoniemen dan de leerlingen. Veel mensen haakten af, waardoor we soms maar met heel weinig leerlingen waren. Het was totaal niet motiverend.’

Re:ageer