Wetenschap - 1 januari 1970

Wie breder kijkt, ziet meer

Gebakkelei over verbreding vulde de afgelopen weken menig kolom van Wb. Het LEI noemt het economische belang ervan marginaal. Ruraal sociologen zien juist verbreding alom. Belangrijke oorzaak van de controverse lijkt het verschil tussen de definities van verbreding die de twee ‘kampen’ hanteren. Maar dat is niet het hele verhaal. Wb beantwoordt zeven brandende vragen over verbreding.

Wanneer werd verbreding van de landbouw een issue?
Halverwege de jaren zeventig spraken beleidsdocumenten voor het eerst over de bijdrage van de landbouw aan natuurbeheer. Tien jaar later duikte het begrip verbreding voor het eerst op in beleidsstukken van LNV. Het duurde nog eens tien jaar, tot halverwege de jaren negentig, dat bijvoorbeeld agrotoerisme, natuurbeheer en nog later zorglandbouw in de boerenpraktijk een duidelijke rol ging spelen. Nederland was daarmee laat. In Duitsland was agrotoerisme eind jaren zeventig bijvoorbeeld al bekend.

Hoe belangrijk is verbreding in economische zin voor de landbouw?
Dat hangt vooral af van de definitie die gehanteerd wordt. De verschillende definities leiden tot verschillende cijfers. Het Landbouw Economisch Instituut (LEI) gebruikt in haar Landbouw Economisch Bericht een vrij smalle definitie, die ook het CBS hanteert: agrarisch natuurbeheer, recreatie en zorg, stalling (bijvoorbeeld caravans in leegstaande stallen) en windenergie. Dat alles alleen als het op het boerenbedrijf gebeurt. Uit het Landbouw Economisch Bericht blijkt dat in die definitie 17% van de boeren een vorm van verbreding had in 2003, vooral agrarisch natuurbeheer. Het leverde een bijdrage aan het inkomen van boeren en tuinders van anderhalf procent. En het vormt amper een procent van de productiewaarde van de primaire land- en tuinbouw.
De Raad voor het Landelijk Gebied houdt het wat vager: alle extra activiteiten die op het agrarisch bedrijf plaatsvinden door boer of boerengezin. En komt daarmee op 6,1% van de netto toegevoegde waarde van de primaire land- en tuinbouw. Dat cijfer blijkt afkomstig van ruraal socioloog prof. Jan Douwe van der Ploeg, lid van de raad. Hij en zijn collega-sociologen in Wageningen onderscheiden drie richtingen van plattelandsvernieuwing: verbreding, verdieping en herfundering. Verbreding bestaat uit inkomstenbronnen naast de primaire productie, bijvoorbeeld agro-toerisme, zorglandbouw en natuurbeheer, maar ook diversificatie van de productie, bijvoorbeeld het telen van energiegewassen. Volgens een Europese studie in 2001, waaraan overigens ook economen werkten, draagt verbreding in deze definitie met 3,5% bij aan de toegevoegde waarde van de landbouw. Met verdieping van de landbouw bedoelen de sociologen omschakeling van de productie naar iets dat meer winst oplevert. Bijvoorbeeld biologische landbouw, kwaliteitsproductie en verwerking en verkoop van producten op de boerderij. Dit levert 2,7% op. Dit samen, verbreding en verdieping, levert 6,1% op van de totale toegevoegde waarde van de landbouw. Daarnaast vinden de sociologen dat arbeid buitenshuis en kostenbesparing op het bedrijf ook strategieën zijn die bijdragen aan plattelandsontwikkeling. Die ‘herfundering’ levert ruim 28% op van het totale inkomen van boeren. Zo, concluderen de sociologen, komt het inkomen van boeren in Nederland voor eenderde deel uit plattelandsvernieuwing.

Waarom die verschillende definities?
Achter de verschillende definities schuilt een groter verschil, namelijk het belang van waaruit geredeneerd wordt. Hoewel het LEI ook studies doet naar andere functies van het landelijk gebied, redeneert het in het Landbouw Economisch Bericht toch vooral vanuit de primaire landbouw. En dan telt alleen wat boeren hebben aan verbreding. Wie denkt aan het platteland in bredere zin, zoals de ruraal sociologen, wil ook alle zaken meenemen die voor een vitaal platteland van belang zijn. De een, prof. Jan Douwe van der Ploeg, ziet daarin een centrale rol voor de boer, de ander, bijvoorbeeld dr Henk Oostindie, ziet ook andere dragers voor het platteland. Wie daarnaast ook redeneert vanuit de belangen van stedelingen en niet-agrariërs, zoals Pieter Vereijken, ziet een verdwijnende landbouw die kostbare ruimte oplevert voor de niet-boeren in dit land.


Schaalvergroting is en blijft de belangrijkste economische



Verklaren de verschillende definities alle verschillen in cijfers?
Nee. Ook de onderzoeksmethode leidt tot verschillen. Het LEI baseert zich op cijfers van het CBS en haar eigen bedrijvennetwerk. De sociologen deden naast een enquête in Europa ook casestudies. Zo deden bijvoorbeeld dr Henk Oostindie en dr Rudolf van Broekhuizen een gedetailleerde studie in De Wolden, een plattelandsgemeente in de buurt van Meppel. Daaruit blijken verschillen tussen de cijfers van het CBS en de praktijk. Het CBS telt bijvoorbeeld 612 bedrijven in De Wolden, maar de sociologen stellen vast dat daarvan maar 400 daadwerkelijk functionerende agrarische bedrijven zijn. Op die 400 bedrijven is bij 42% sprake van verbreding, in de ruime definitie van ‘andere economische activiteiten dan de primaire landbouwproductie’. De primaire landbouw bleek in De Wolden nog maar 45% van de inkomens op te leveren.

Er zijn boeren die van verbreding hun enige inkomstenbron maken. Bijvoorbeeld een melkveehouder die een camping erbij had, de melkveehouderij sluit en volledig gaat leven van de camping. Telt dat als verbreding?
Nee. Elk jaar beëindigen zo’n vierduizend boeren hun bedrijf. Een deel daarvan start het bedrijf door op basis van eerdere verbreding. Die mensen heten dan geen verbrede boeren meer, maar ruraal ondernemer. Voor een vitaal platteland zijn ze niet minder belangrijk. Driekwart van de rurale werkgelegenheid komt al op rekening van niet-agrarische bedrijvigheid, zegt dr Pieter Vereijken.

Wat is het belang van verbreding los van economische effecten?
Naast de bijdrage aan het inkomen van boeren kan verbreding belangrijk zijn om het platteland in sociaal, cultureel en landschappelijk opzicht vitaal te houden. De boer wordt dan gezien als drager van het sociale en culturele gezicht van het platteland en als aangewezen persoon om het boerenlandschap te beheren. Schaalvergroting van de landbouw zou die functies kunnen aantasten, al leidt niet elke schaalvergroting tot zichtbaar verlies van landschap. Als plattelandsvernieuwing inderdaad eenderde van het inkomen van boeren oplevert, dan is het een substantiële bijdrage aan het instandhouden van de boerenstand, en daarmee ook van de drager van sociale, culturele en landschappelijke aspecten van het platteland. Maar die functies kunnen prima door niet-agrariërs overgenomen worden, werpt Vereijken hier tegenin.

Dus hoe belangrijk is verbreding?
De cijfers zijn duidelijk. Ook als je verdieping en verbreding in ruime zin bij elkaar neemt, kom je nog maar op 6,1% van de netto toegevoegde waarde en dat is weinig. Veel belangrijker economische trends zijn het feit dat jaarlijks zo’n vierduizend boeren stoppen, de schaalvergroting en intensivering van een deel van de boeren, en de toenemende inkomsten uit arbeid buitenshuis. Maar dat wil niet zeggen dat de discussie over verbreding nergens over gaat. Want erachter ligt de vraag waar het heen moet met het platteland en welke rol de landbouw daarin nog heeft. Als verbreding in de toekomst kan bijdragen aan een vitaler, toegankelijker en mooier platteland, dan is het de moeite waard het serieus te nemen.

Joris Tielens

Re:ageer