Wetenschap - 18 oktober 2007

Wetgeving geen probleem voor voedingsindustrie

De concurrentiepositie van de Europese voedingsindustrie is zwak vergeleken met Amerika, concluderen het LEI en de leerstoelgroep Recht en bestuur in een onderzoek in opdracht van de Europese Commissie. Maar dat komt niet door de voedselwetgeving, zoals wel eens beweerd wordt.
De Europees commissaris Gunther Verheugen houdt op 15 en 16 november een conferentie in Brussel voor de Europese voedingsindustrie om de koppen bij elkaar te steken. Het gaat namelijk slecht met de industrie vergeleken met Amerika en Canada, ook al heeft Europa een aantal toonaangevende bedrijven.
De commissaris baseert zich op een rapport van het LEI en de leerstoelgroep Recht en bestuur, dat vorige weer door de Commissie naar buiten is gebracht. De onderzoekers deden vorig jaar een studie naar de hele voedingsindustrie in Europa, en vergeleek dat met dezelfde industrie in de rest van de wereld. De onderzoekers deden dat niet door naar individuele bedrijven te kijken, maar naar de winst van sectoren ten opzichte van elkaar en het aandeel daarvan in de wereldmarkt.
Drs. Krijn Poppe, een van de auteurs van het rapport, verklaart de zwakke positie van de Europese voedingsindustrie onder meer uit de verdeelde Europese markt. ‘Ondanks de open grenzen zijn er in Europa nog veel kleine bedrijven en kleine deelmarkten vergeleken met de Verenigde Staten, waar meer één markt en één cultuur is.’
Voor ingewijden is de zwakke positie van de Europese voedingsindustrie geen nieuws. Opmerkelijk is wel dat de Europese voedingsmiddelenwetgeving geen oorzaak is van een zwakke concurrentiepositie. Prof. Bernd van der Meulen van Recht en bestuur hield een enquête onder bedrijven, waaruit bleek dat zij de voorkeur gaven aan de Europese wetgeving op gebied van voedselveiligheid boven de Amerikaanse. Het systeem van wetgeving deugt dus, zegt Poppe. Alleen de gelegenheidswetgeving naar aanleiding van voedselcrises zorgt voor onduidelijkheid.

Re:ageer