Wetenschap - 4 oktober 2001

Wetenschap verspilt tijd en energie door verplichte stoelendans rond subsidiepotten

Wetenschap verspilt tijd en energie door verplichte stoelendans rond subsidiepotten

Fytopatholoog Pierre de Wit: 'Ik moet zoveel de boer op dat ik me soms meer een ondernemer voel dan een wetenschapper.'

De financiering van de wetenschap verandert geleidelijk in een circus. Onderzoekers dienen voorstel na voorstel in, financieerders kunnen daarvan steeds minder honoreren, het wetenschappelijk onderzoek versnippert, grote projecten lopen vertragingen op en professoren voelen zich ondernemers. Prof. dr. Pierre de Wit van de leerstoelgroep voor Fytopathologie breekt een lans voor een ander systeem.

"Genomicsfondsen zijn in ijltempo een kaalgeplukte kip aan het worden", stelt De Wit. "Dit jaar had de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) 25 miljoen gulden beschikbaar voor genomicsonderzoek. Al bij de eerste oproep voor onderzoeksvoorstellen hebben 153 onderzoeksgroepen gereageerd. Als de NWO al hun voorstellen zou honoreren, dan was dat 210 miljoen gaan kosten." Voor De Wit is de situatie duidelijk. "Toen duidelijk werd dat er fondsen kwamen, zijn onderzoekers overal voorstellen gaan schrijven. En daarvan kan NWO maar een beperkt deel honoreren."

De Wit neemt de onderzoekers die mee willen liften met de genomicshausse niets kwalijk. De scheve verhouding binnen het genomicsprogramma van de NWO vloeien volgens hem gewoon voort uit de fragmentatie van de subsidi?ring van de wetenschap die zich ook in andere wetenschappelijke sectoren voordoet. De Wit is voorzitter van NWO-commissie die gelden voor het programma voor gewasbescherming verdeelt. Op de tien miljoen gulden die dit jaar te verdelen is, werden 195 onderzoeksvoorstellen ingediend.

"Hoe je het ook bekijkt, het is een verspilling van tijd en energie", vindt De Wit. Het is een regelrecht gevolg van het opdrogen van de eerste geldstroom, die rechtstreeks van het ministerie van OCW naar de universiteiten stroomt. "Vroeger hadden we in Wageningen jaarlijks honderdvijftig aio's die via de eerste geldstroom, via het ministerie van OCW, betaald kregen. Dat aantal is inmiddels teruggebracht naar veertig. Onderzoeksgroepen proberen nu uit alle macht om fondsen te werven zodat ze toch jonge onderzoekers in de wetenschap kunnen houden. Vooral via de tweede geldstroom, via instellingen als Technologiestichting STW en NWO."

De Wageningse situatie, merkt De Wit daarbij op, steekt nog positief af bij die van andere universiteiten. 'Ons' LNV is ondanks de bezuinigingen lang geen beroerde subsidiegever.

Het grote probleem van de tweede geldstroom is niet alleen de energie die in het circus van de subsidiepotten gaat zitten. Ook de continu?teit van het onderzoek dreigt onder de hegemonie van de tweede geldstroom te bezwijken. "De meeste programma's hebben een korte looptijd. Ze volstaan weliswaar om een aio te laten promoveren of een post-doc een project te laten afronden, maar zijn onvoldoende om een nieuw terrein te ontsluiten of een nieuw stuk solide kennis op te zetten. Daarvoor heb je al snel vijftien jaar nodig."

De Wits eigen onderzoek illustreert de noodzaak van langdurige programma's. De Wageninger werd in de jaren negentig wereldberoemd, toen praktisch alle wetenschapsbijlagen en -tijdschriften over zijn geesteskind schreven: de resistentiecassette. Dat was een stuk erfelijk materiaal, dat plantenveredelaars konden inbouwen bij planten om ze resistent werden voor plantenziektes te maken. De groep van De Wit werkt in het voetspoor van zijn hoogleraar aan genplanten met dergelijke resistenties. Elf onderzoekers worden betaald uit de eerste geldstroom en de verdiensten van de groep zelf. De overige dertig wetenschappers worden betaald door de EU, NWO, STW en het bedrijfsleven. De bijdragen van die laatstgenoemde partijen hebben korte looptijden, te kort om de projecten waaraan De Wits mensen werken te bekostigen.

Nu proberen de medewerkers van De Wit hun losse projecten 'dakpansgewijs' samen te voegen tot ??n groter project, dat zowel bruikbare innovaties voor gebruikers oplevert als nieuwe fundamentele inzichten. Lees: publicaties. Dat vlechtwerk van kleine projecten is kwetsbaar, bleek bijvoorbeeld in 2000. Toen kwam geldschieter STW in financi?le moeilijkheden en kon die niet meer het gebruikelijke percentage projecten financieren. Het gevolg was dat de groep sommige onderzoekers niet meer kon betalen. Met hun vertrek liepen de grote projecten grote vertraging op.

"Begrijp me goed", zegt De Wit. "Ik ben prima te spreken over STW. Het is een gulle geldschieter, guller dan veel andere instellingen. De STW wil nog wel eens een project vier of zelfs acht jaar ondersteunen. Maar het systeem deugt gewoon niet. Ik moet zoveel de boer op dat ik me soms meer een ondernemer voel dan een wetenschapper."

Extra frustrerend is dat het huidige systeem van de tweedegeldstroomonderzoek succes lijkt te straffen. "Bij de verdeling van de subsidies krijgen onderzoeksgroepen die in de verdrukking zijn geraakt, voorrang. De commissies hebben de neiging groepen die een paar keer in de prijzen vallen, maar over te slaan."

Wat de plantenwetenschappen eigenlijk nodig hebben, denkt De Wit, is een systeem waarbij instituten of groepen, die zich hebben bewezen, voor de helft zeker zijn van hun financiering. Of meer. Daarom ijvert De Wit samen met tientallen andere plantenwetenschappers in Europees verband voor een andere aanpak. In de in het Belgische Gent zetelende European Plant Science Organisation zijn 38 verschillend onderzoeksinstellingen op het gebied van de plantwetenschappen vertegenwoordigd, waaronder Wageningen Universiteit en Plant Research International.

De European Plant Science Organisation wil onder meer dat de Europese Unie langetermijnplannen ontwikkelt om het niveau in de plantwetenschappen te verhogen. Volgens de organisatie durven bedrijven niet te investeren in fundamenteel onderzoek, omdat ze bang zijn dat bedrijven die niet meebetalen, uiteindelijk van dat dure onderzoek gaan profiteren.

Willem Koert

Re:ageer