Wetenschap - 1 januari 1970

Weinig jodium? Flavonoïden geven het laatste zetje

In bevolkingsgroepen met een lage inname van jodium is een hoge inname van flavonoïden allesbehalve gezond. Ze verlagen de concentraties van schildklierhormoon nog verder. Wageningse onderzoekers van de leerstoelgroep Fysiologie van mens en dier hebben een stuk van het mechanisme opgehelderd.

Het onderzoek van prof. Daan van der Heide volgde op dat van Franse onderzoekers in West Guinea, die de ziekelijk lage spiegels van schildklierhormoon bij de plaatselijke bevolking bestudeerden. De inname van jodide, dat nodig is voor de afgifte van schildklierhormoon, was aan de lage kant. Maar, ontdekten de Fransen, dat was niet het hele verhaal.
,,In het seizoen waarin de gierst werd geoogst kregen mensen last van een opgezwollen schildklier’’, zegt Van der Heide. ,,In de gierst vonden de onderzoekers hoge concentraties van de flavonoïden apigenin en luteolin. Die bleken de concentratie schildklierhormoon te verlagen. Hoe precies, dat was niet duidelijk. Wij hebben geprobeerd om die witte vlek in te vullen.’’ In het tijdschrift Biofactors publiceerde Van der Heide samen met de Leidse prof. Janny Schröder-Van der Elst de resultaten.
,,In het bloedplasma zit schildklierhormoon vast aan het eiwit transthyretin’’, zegt Van der Heide. ,,De flavonoïden hebben een structuur die lijkt op die van het schildklierhormoon. Daardoor zijn ze in staat om het schildklierhormoon van het transporteiwit te verdringen. Het lichaam scheidt vervolgens het schildklierhormoon via de urine uit.’’
Van der Heide deed voornamelijk dierproeven, maar weet vrij zeker dat het mechanisme ook speelt bij mensen. ,,Ik heb het op mezelf uitgeprobeerd’’, zegt hij. ,,Ik heb zes bosjes peterselie gegeten en de volgende dag gemerkt dat ik veel schildklierhormoon in mijn urine had.’’ In peterselie zitten hoge concentraties apigenin, dat van alle flavonoïden in gierst het meeste effect op het schildklierhormoon had.
In de dierproeven die de hoofdmoot van zijn publicatie vormden, bevruchtten de onderzoekers vrouwtjesratten die veel apigenin in het voer kregen. Vervolgens keken de onderzoekers naar de effecten van de stof op de ongeboren rattenpups. Die waren zoals verwacht: de flavonoïden verlaagden de hoeveelheid schildklierhormoon voor de foetus.
Een tekort aan schildklierhormoon is zondermeer gevaarlijk, zegt Van der Heide. ,,Schildklierhormoon is nodig voor de ontwikkeling van jonge cellen. Vooral de ontwikkeling van hersenweefsel is kwetsbaar voor te weinig schildklierhormoon. Mensen die als foetus en kind te weinig schildklierhormoon aanmaken hebben een IQ dat vijftien punten lager ligt dan eigenlijk zou moeten.’’
Van der Heide deed ook proeven met een synthetische flavonoïde, die farmaceut Merck samen met hem in de vroege jaren negentig nog heeft onderzocht als een mogelijk medicijn tegen een te hoge afgifte van schildklierhormoon. Die bleek nog risicovoller dan de natuurlijke flavonoïden. De stof had niet alleen geen moeite om door de placenta in de ongeboren rattenpups te komen, maar hoopte zich bovendien in hun hersenweefsel op.
De conclusie van het onderzoek is duidelijk, zegt Van der Heide. ,,Teveel flavonoïden zijn niet gezond. Zeker als je weinig jodium binnenkrijgt kun je beter uitwijken naar voedingsmiddelen die minder flavonoïden bevatten. Supplementen die flavonoïden bevatten moet je dan beslist niet gebruiken.’’
Van der Heides onderzoek krijgt geen vervolg. Er is geen geld. |
W.K.

Re:ageer