Organisatie - 14 juni 2007

Weidegang

Leidt weidegang van koeien tot lagere uitstoot van broeikasgassen? CLM en Alterra verschillen van mening hierover (Resource 33). Helaas ontbreken in deze discussie de hoofdrolspeelsters zelf: de koeien. Daardoor zijn conclusies die getrokken worden op z’n minst voorbarig.
CLM vergelijkt de uitstoot van broeikasgassen op melkveehouderijbedrijven bij weiden of opstallen, en betrekt daarin de variatie in uitstoot van N 2 O en CH 4 uit bemesting, beweiding en opslag van mest, van ammoniak en nitraat, en CO 2 -uitstoot door brandstofverbruik voor machines. De zo berekende emissie ligt gemiddeld rond de 2000 kilogram CO 2 -equivalenten per koe. De bijdrage van de koe zelf en de variatie daarin wordt niet meegenomen. Dat is merkwaardig. Een gemiddelde Nederlandse koe produceert alleen door CH 4 gevormd in het maagdarmkanaal al circa 2600 CO 2 -equivalenten per jaar. Het is logisch dat de koe zelf, als belangrijke bron, aandacht moet krijgen in de berekeningen.
Twee voorbeelden. CLM gaat uit van extra krachtvoerverbruik bij opstallen vergeleken met beweiden, en koppelt daar extra CO 2 -emissie aan. Binnen- en buitenlands onderzoek toont aan dat meer krachtvoer in het rantsoen de CH 4 -uitstoot uit het maagdarmkanaal verlaagt, uitgedrukt per eenheid opgenomen voer of per eenheid geproduceerde melk. Dit effect neemt CLM echter niet mee. Wel de ‘lasten’ van extra krachtvoer, maar niet de ‘lusten’. Tweede voorbeeld. Bij opstallen bevat het gemiddelde rantsoen meer snijmaïssilage dan bij onbeperkt weiden. Snijmaïssilage, een bron van zetmeel, geeft een duidelijk lagere CH 4 -emissie uit de koe dan gras of grassilage. Ook dit ontbreekt in de berekeningen.
Conclusie: een gemiste kans. De koe kent geen vaste, onveranderlijke uitstoot van broeikasgassen. Wageningen staat bekend om het geïntegreerde, interdisciplinaire karakter van onderzoek. Een gedegen conclusie over uitstoot van broeikasgassen bij diverse bedrijfssystemen vereist de inbreng van verschillende vakgebieden. Het negeren van de wetenschappelijke kennis op het terrein van diervoeding doet sterke afbreuk aan de conclusies van dit onderzoek. Dat heeft niets te maken met het nog ontbreken van wetenschappelijk bewijs of juist fermere uitspraken doen over uitstoot, maar alles met het volledig in kaart brengen van factoren van variatie. Vergeet de koe zelf niet, ook niet als de materie lastig is.

Dr. Jan Dijkstra, universitair docent bij de leerstoelgroep Diervoeding, en drs. André Bannink, onderzoeker herkauwers bij de divisie Veehouderij, Animal Sciences Group

Re:ageer