Student - 6 maart 2008

Weg van de wereld in Nepal

Vier maanden lang was Jochiem Hendriksen, vijfdejaars Internationaal land- en waterbeheer, zo goed als afgesloten van de rest van de wereld. In Nepal onderzocht hij in twee verschillende dorpen de effectiviteit van micro-irrigatiesystemen voor de allerarmsten.

1952_nieuws.jpg
‘Ik begon mijn stage met twee weken in de hoofdstad Kathmandu. Daar wisselde ik informatie uit met de ngo waarvoor ik mijn onderzoek deed. Ook gebruikte ik die twee weken om alvast te wennen aan de enorme verschillen met Nederland. Nepal is een van de armste landen van de wereld. Dat merk je aan alles. Mensen eten bijvoorbeeld maar twee keer per dag, en beide keren rijst. Het minimum maandloon is ongeveer vijf euro. Dat wist ik natuurlijk allemaal van te voren, maar als je er eenmaal echt bent, schrik je toch wel even.
Na die twee weken begon het echte werk in het eerste dorp. Ik deed mijn onderzoek samen met een Frans meisje dat ook in Wageningen studeert. Zij deed onderzoek naar de sociale uitwerking van die irrigatiesystemen, ik keek meer naar de technische kant. Mijn data verkreeg ik vooral via interviews en metingen. Omdat zo goed als niemand Engels spreekt in Nepal, en ik absoluut geen Nepalees, had ik een tolk. Hij was een jonge student die wegens geldgebrek gestopt is met studeren. Hij heeft zichzelf goed Engels aangeleerd door heel veel naar de BBC te kijken. Daar had ik veel bewondering voor.
Vlak voordat ik uit het dorp vertrok was er enorme ophef. ‘s Nachts waren twee mannen in de rijstvelden aangevallen door een tijger. Ze waren er behoorlijk ernstig aan toe, hun gezichten lagen helemaal open. De chief van het dorp stelde een avondklok in. Iedereen moest voor half zeven binnen zijn. Vreemd, maar ja, er was geen andere oplossing.
De maand daarna was een hindoeïstische feestmaand. In die maand werken mensen niet, en dus was het niet mogelijk om verder te gaan met ons onderzoek. Daarom gingen we reizen. Dat ging niet heel makkelijk. Nepal is heel onbegaanbaar. Over tien kilometer doe je soms wel een uur. De bergen maken het onmogelijk om sneller te gaan. Ook zie je aan de kant van de weg allemaal bussen die in het ravijn zijn beland. Dat is erg beangstigend.
De laatste periode van mijn stage, in het tweede dorp, heeft de meeste indruk gemaakt. Ik woonde er bij een gastgezin in een kleihutje. Er was geen elektriciteit en geen enkele mogelijkheid om contact te hebben met de buitenwereld. ‘s Ochtends werden we om vijf uur gewekt door de kippen. Dan deed ik de hele dag interviews en metingen en na het avondeten om zeven uur ging ik naar bed, omdat het donker was.
De mensen waren zo gastvrij, ongelofelijk. Mijn gastmoeder moest zelfs huilen toen ik wegging. Ook ik vond het erg om weg te gaan. Ik wist dat ik waarschijnlijk nooit meer iets van ze zou horen, dat is onmogelijk. Gelukkig heb ik nog wel contact met mijn tolk. Hij denkt erover om met het geld dat hij met zijn werk als tolk heeft verdiend, weer te gaan studeren. Ik mail hem elke keer dat hij dat zeker moet doen. Dat zou ik hem echt gunnen.’

Re:ageer