Wetenschap - 1 januari 1970

‘Waterproblemen te voorspellen’

Droogte en overstromingen zijn te voorspellen, stelde prof. Reinder Feddes in zijn afscheidscollege. Maar dan moeten wetenschappers hun modellen beter aan elkaar koppelen, en moeten waterbeheerders verder vooruit kijken en beter rekenen. En om dat te bereiken, moeten de Wageningse studierichtingen hun sterke verankering in de wiskunde, natuurkunde en chemie behouden.

Prof. Reinder Feddes maakt zich zorgen over de verbreding van studies die ten koste gaat van primaire bètavakken. 'Je kunt pas multidisciplinair werken als je je vak beheerst.’ / foto Guy Ackermans

'Onzichtbaar water', was de titel van het college waarmee prof. Reinder Feddes zijn vijftien jaar durende hoogleraarschap op donderdag 14 oktober uitluidde. Het was een pleidooi voor het traditionele Wageningse onderzoeksobject: de onverzadigde zone (de waterstromen in de eerste meters onder het maaiveld). Die zone is om verschillende redenen een uitgangspunt voor het doorrekenen en modelleren van de waterhuishouding. Daar komen de invloeden van water, weer en bodem bij elkaar. En het is ook het domein van de grootste slokop van zoet water, de landbouw, die zeventig procent van al het water verbruikt.
Deze onverzadigde zone is voor Feddes het uitgangspunt voor een combinatie van watermodellen, remote sensing-waarnemingen en weermodellen, waarmee waterbeheerders problemen als droogte en overstromingen kunnen voorspellen. Die waterproblemen zullen in de toekomst alleen maar groter worden, aldus Feddes. Slechts 0,015 procent van al het water is beschikbaar als zoet water, en die hoeveelheid groeit niet terwijl het aantal mensen in de komende decennia waarschijnlijk zal verdubbelen.

SWAP
Feddes hamert al jaren op het goed doorrekenen en modelleren van waterproblemen, omdat, zo redeneert hij, je eerst moet weten wat er aan de hand is voordat je de problemen aanpakt. Voordat Feddes in 1990 hoogleraar Bodemnatuurkunde, agrohydrologie en grondwaterbeheer werd, hield hij zich al bezig met het modelleren van waterstromen in de bodem. In de afgelopen jaren resulteerde het werk van 'modellenman' Feddes en zijn collega's in het model SWAP - Soil, Water, Atmosphere, Plant - dat het transport van water, warmte en stoffen beschrijft op veldschaal.
Met dit model, dat gekoppeld is aan het gewasgroeimodel uit de school van de beroemde gewasecoloog prof. C.T. de Wit, is goed te rekenen aan bijvoorbeeld de efficiëntie van irrigatie. Zo heeft Feddes een Chinese student gehad die berekende dat de irrigatie in de bovenloop van de Yangste - de Gele Rivier die bekend staat als het 'verdriet van China' omdat die benedenstrooms droog kwam te staan door de onttrekking van te veel irrigatiewater bovenstrooms - met twintig procent kon worden verminderd zonder een noemenswaardige daling in de tarweopbrengst.
Door de Wageningse modellen te combineren met weersvoorspellingen en remote sensing-technieken kunnen wetenschappers de waterproductiviteit van bepaalde gebieden berekenen, hield Feddes zijn publiek voor. Hij liet een kaart zien van het Sirsa-gebied in India waarop in verschillende kleuren duidelijk de meer productieve en minder productieve regio's zichtbaar waren. Hiermee kun je de irrigatie beter inrichten of de landbouw juist op die plekken vestigen die hoogproductief zijn.

Paalrot
In Nederland denkt Feddes met de juiste combinatie van modellen te kunnen werken aan watervoorspellingen. Het waterbeheer is volgens hem in Nederland nog te ad hoc ingericht. Zo werd er in de zomer van 2003 brak water ingelaten in de boezem bij Gouda om grondwaterdaling en paalrot aan heipalen te voorkomen. Met een beter gebruik van het IJsselmeer als zoetwaterboezem en een goede combinatie van water- en weersvoorspellingsmodellen kun je volgens Feddes goed uitrekenen wanneer en waar er waterproblemen zullen gaan ontstaan. Hetzelfde geldt voor de overstromingsproblematiek bij de grote rivieren.
Feddes spiegelt het beheer van het IJsselmeer aan een promotieonderzoek dat een collega-hoogleraar begeleidde in Sri Lanka. 'Daar zaten twintig mensen schuiven te bedienen voor de wateraanvoer en -afvoer. Die waren zeer goed op elkaar ingespeeld. Als de één dit doet weet de ander wat hij moet doen. Maar als er één man wegvalt, klapt het hele systeem in elkaar. Hetzelfde is het geval met het IJsselmeer.' Dat zal met Feddes' watervoorspelllingsmethodiek niet gebeuren.
Ook bij de overstromingsproblematiek van de grote rivieren denkt Feddes dat zijn combinatie van modellen goede voorspellingen zouden kunnen opleveren. Hij wil dat de waterbeheerders meer vooruitkijken. 'De filosofie van de commissie Tielrooy (die keek naar het waterbeheer voor de 21ste eeuw, MW) is eerst vasthouden, dan bergen en vervolgens afvoeren. Maar als je een regenfront aan ziet komen, dan moet je eerst afvoeren. Je moet dus eerder kijken wat je kunt verwachten.'

Bètavakken
De Wageningse inbreng in deze systematische en integrale vorm van waterbeheer moet wat Feddes betreft bestaan uit het doorrekenen, toetsen en kalibreren van watermodellen aan metingen. Wat dat betreft is het volgens de vertrekkende hoogleraar zorgelijk dat er telkens een drang is om de studie Bodem, water, atmosfeer (BWA) in het bachelorgedeelte meer algemeen en breder te maken, met minder nadruk op de primaire bètavakken wiskunde, natuurkunde en scheikunde.
Die verbreding is helemaal niet nodig om meer studenten te trekken, vindt Feddes. 'Je kunt pas multidisciplinair werken als je je vak beheerst. Afnemers van onze studenten uit bijvoorbeeld de Verenigde Staten vinden dat Wageningers een goede brede kennis hebben, met een uitstekende disciplinaire verdieping. BWA is qua instroom vrij stabiel. En meestal krijgen de afgestudeerden snel een baan. Dus we doen het niet zo gek. Dan moet je niet gaan verbreden om de instroom hoog te houden. Als je het imago van BWA hoog houdt, kan dat ook.'

Martin Woestenburg

Re:ageer