Wetenschap - 1 januari 1970

Waterberging geeft kranswieren nieuwe kans

De plannen om uiterwaarden af te graven voor waterberging zullen vooral gunstig zijn voor kranswieren, en in het bijzonder de bedreigde boomglanswieren. Dat schrijft aquatisch bioloog ir Gerben van Geest in zijn dissertatie

Van Geest onderzocht welke natuur zich kan ontwikkelen in uiterwaardenplassen die ontstaan als de uiterwaarden elke dertig tot veertig jaar worden afgegraven. De angst is dat in de langdurig overstroomde uiterwaarden troebele, door algen gedomineerde plassen zullen ontstaan met een lage soortenrijkdom.
De planten die volgens Van Geest het meest kunnen profiteren van de uitgegraven uiterwaardenplassen zijn pioniersoorten als kranswieren. Hij ziet vooral kans voor groot boomglanswier en vertakt boomglanswier, internationaal bedreigde soorten. Oudere vegetatietypen met drijfbladplanten en helofyten - 'het duurt wel honderd tot tweehonderd jaar voor die ontstaat' - maken weinig kans als de uiterwaarden telkens opnieuw worden afgegraven.
Om te zorgen dat er een zo hoog mogelijke soortenrijkdom blijft in de uiterwaarden, ook als die regelmatig onderlopen, adviseert Van Geest om de uiterwaarden niet overal af te graven. 'Zorg dat je jonge plassen krijgt met kranswieren, maar ook oudere plassen met waterplanten.' Uit zijn onderzoek blijkt verder dat stuwen negatieve invloed hebben op de soortenrijkdom. In de gestuwde Neder-Rijn zorgde de afwezigheid van peildynamiek voor een lagere soortenrijkdom en een sterke groei van de exoot smalle waterpest. / MW

Ir Gerben van Geest promoveert op vrijdag 29 april bij hoogleraar Aquatische ecologie prof. Marten Scheffer.

Re:ageer