Organisatie - 24 januari 2008

Wat is het geheim van een goed college?

Prof. Dane Bicanic probeert studenten als zijn gelijken te zien (zie Bicanic/ ‘Ik zie studenten als mijn gelijken’). Hij legt problemen waar hij zelf niet uitkomt voor tijdens colleges. Verder gebruikt hij wc-rollen en handen en voeten om de wondere wereld van de fysica uit te leggen. En dat werkt, want hij werd vorige week verkozen tot docent van het jaar. Hebben andere gelauwerde leermeesters ook tips?

441_opinie_0.jpg
441_opinie_0.jpg

Foto: .

Geoloog ing. Gert Peek, docent van het jaar 2000
‘Ik ben het helemaal met Bicanic eens dat je vooral moet proberen laagdrempelig te zijn. Ik probeer zelf ook altijd veel contact te maken tijdens colleges. In de pauze ga ik mee koffiedrinken en maak een praatje. Als we op veldpracticum gaan, drink ik een borreltje mee. Je moet ook niet altijd over het vakgebied praten, maar ook eens een keertje over voetbal of zo. Ik probeer het onderwijs samen met studenten vorm te geven, en niet boven hen te gaan staan. Toen ik voor het eerst onderwijs ging geven, een jaar of dertig geleden, waren er nog geen cursussen. Ik heb het meest geleerd van het goed kijken naar mijn collega’s. Hoe reageren studenten, wat werkt wel en wat niet. Ik doe dat nog steeds als ik bij een collega in de zaal zit. Je kijkt hoe mensen bewegen. Wanneer is iemand té druk en wanneer valt de zaal in slaap omdat iemand stilletjes achter zijn lessenaar blijft staan. Ik ben het lesgeven na dertig jaar nog steeds niet beu. Integendeel. Het helpt natuurlijk ook dat ik werk aan een fantastisch vakgebied. Het mooist vind ik het om mensen die niets weten in te wijden in het vakgebied en te zien dat ze enthousiast worden. Dat maakt het soms leuker om een eerstejaarscollege te geven, dan een vak voor masterstudenten.’
Communicatiewetenschapper dr. Reint Jan Renes, docent van het jaar 2005
‘Ik doe mijn best om actuele voorbeelden te verwerken in mijn colleges. Ik lees de kranten, maar ik zoek ook op Youtube naar leuke voorbeelden. Bij het college over gedachteonderdrukking heb ik pas het programma Veertig dagen zonder seks als voorbeeld gebruikt. Als je ergens niet aan mag denken, komt die gedachte onvermijdelijk op. Ik merk dat ik zelf meer lol heb in het geven van onderwijs als ik nieuwe voorbeelden heb, en ik denk dat dat ook te merken is tijdens een college. Goede voorbeelden zijn heel belangrijk om de stof te begrijpen. Studenten gebruiken de voorbeelden die ik heb genoemd tijdens het college ook vaak bij de beantwoording van tentamenvragen. Zo werkt dat in je hoofd. Een verhaal is de marker waarmee je de theorie naar boven haalt. Je herinnert je eerst het specifieke verhaal en dan de algemene theorie. Dus je weet je eerst het voorbeeld te herinneren over Veertig dagen zonder sex, en dan de theorie over gedachteonderdrukking.’
Dierwetenschapper Arie Terlouw, docent van het jaar 2007
‘Ik probeer studenten te prikkelen om verder te gaan met de kennis die ik aanbied. Je kunt college geven als een kennisdouche. Dan kieper je tijdens een college een bak kennis over hen heen. Ik probeer dat niet te doen. Ik wil juist een vuurtje doen ontbranden in de student. Te prikkelen om zich te interesseren voor de lesstof. Ik doe dat door goede voorbeelden te zoeken, en door bewust open einden te creëren. Ik vertel bijvoorbeeld het verhaal over wat er verandert in de bloedsomloop bij de geboorte. Voor de geboorte is de placenta de long. Na de geboorte moet het lichaam snel omschakelen. Ik vertel dan zestig of tachtig procent van wat er gebeurt, maar niet het hele verhaal. Er is meer, zoek dat maar eens uit, zeg ik dan. Je moet het ook niet helemaal open laten, maar als je alles vertelt is er geen uitdaging meer voor de studenten. Verder probeer ik een goed ritme te vinden in een college. Je kunt niet 45 minuten onafgebroken aan het woord zijn. Na tien minuten begint de aandacht te verslappen. Ik zorg er daarom voor dat er om de tien minuten iets actiefs gebeurt. Ik vind trouwens niet dat je als docent een soort theatershow moet opvoeren. Ze hoeven niet om de vijf minuten in een deuk te liggen. Je bent docent, geen cabaretier.’
Microbioloog dr. Gosse Schraa, docent van het jaar 2004 en dit jaar opnieuw genomineerd
‘Een echt geheim heb ik niet. Het belangrijkste is dat een docent enthousiasmeert en zelf de stof goed beheerst. Ik besteed voor elk college toch altijd weer een paar uur aan de voorbereiding. Ik loop door het bestaande materiaal en probeer er actuele voorbeelden bij te vinden. Soms haal ik die uit eigen onderzoek of uit de literatuur, maar ook wel van radio of tv. Het moeten aansprekende voorbeelden zijn, bijvoorbeeld het bericht dat winden van kangoeroes, in tegenstelling tot die van runderen, geen methaan bevatten omdat ze geen methaanvormende bacteriën in hun darmen hebben. Dan ga ik daarna in op de microbiologische aspecten van methaanvorming. Omdat drie kwartier luisteren wel erg lang is, gebruik ik een simpel trucje. Ik stel een vraag en laat de studenten dan in tweetallen gedurende een minuut overleggen. Het wordt meestal rumoerig en ze zullen wel over van alles en nog wat praten, maar hopelijk ook over de vraag. Daarna probeer ik het weer stil te krijgen, wat meestal snel lukt, om te vragen wie een antwoord heeft. Vooral eerstejaars durven pas een antwoord te geven als ze eerst met elkaar kunnen overleggen. Praten tijdens het college? Als het storend wordt stop ik gewoon of ik praat door en loop naar de studenten toe. Meestal is dat genoeg. Soms zo goed dat andere studenten ze tot de orde roepen.’
Levensmiddelenmicrobioloog dr. Rijkelt Beumer, dit jaar genomineerd voor docent van het jaar
‘Ik probeer in mijn colleges altijd naar de praktijk te vertalen. Gelukkig hebben we als levensmiddelenmicrobiologen altijd leuke verhalen die tot de verbeelding spreken. Projectielbraken doet het altijd goed, maar daar kun je natuurlijk niet steeds mee aan blijven komen. Je moet studenten natuurlijk allerlei feitjes aanleren, maar ik probeer er wel altijd een leuk, persoonlijk verhaal omheen te breien. Bijvoorbeeld van de journalist die een verhaal wilde schrijven over het leven in zijn huis. Ik heb toen onder andere de hondenbak in de keuken bemonsterd en het glas op zijn slaapkamer dat hij elke dag met water bijvulde. In de hondenbak zaten nauwelijks bacteriën, maar het glas zat bomvol. Allemaal te danken aan het biofilmpje in het glas dat hij zelf had gevoed met speeksel en voedingsresten. Ik vertel ook wel over de onderbroeken die ik op bezoek in India lokaal had laten wassen toen ik flink aan de diarree was. Toen ik ze in mijn koffer stopte, zag ik al dat er nog flinke bruine vlekken inzaten. Je blijft microbioloog, dus die heb ik hier toen bemonsterd en jawel er zat in iedere onderboek al gauw een miljoen salmonella’s. De boodschap – ondanks het advies van milieufreaks je onderbroeken liever niet wassen op lage temperaturen – komt zo wel goed aan, denk ik.’

Re:ageer