Wetenschap - 1 januari 1970

Wageningen ontmaskerde de wichelroede

2

Wageningen raakte onlangs in opspraak vanwege een wichelroedelopende adviseur die deelneemt aan onderzoeksproject Bioveem. Maar wie nu concludeert dat Wageningen lief is voor zwevers, heeft zich niet in de geschiedenis verdiept. Al in 1915 concludeerde prof. Dirk van Gulik –later rector magnificus - dat ‘de wichelroede een sprookje is’. Een Wageningse werkgroep trok in 1955 dezelfde conclusie.

Een kleine zoektocht op internet naar wichelroedes maakt duidelijk dat bijgeloof nog welig tiert. Vooral bij onze oosterburen is de Wünschelrute populair. Vlak voor de Eerste Wereldoorlog was dat niet anders. Het wichelen kwam vanuit Duitsland naar ons land overgewaaid en begon aan een opmars in de landbouw. De wichelroede werd vooral ingezet om ondergrondse waterstromen op te sporen. De wichelroedelopers of rhabdomanten claimden dat zij door de heftige uitslag van de wichelroede, doorgaans een Y-vormige tak of koperdraad, het water konden aanwijzen.
In mei 1914 maakt natuurkundige en meteoroloog Van Gulik, docent aan de Rijks Hoogere Land-, Tuin- en Boschbouwschool in Wageningen, voor het eerst kennis met de wichelroede tijdens een demonstratie van ‘de voornaamste propagandiste op dit gebied’ op een heideveld bij Garderen. Zij weet naar eigen zeggen een waterader op te sporen op een diepte van zestig tot tachtig meter.
Vanwege de hoge kosten wordt afgezien aan een boring. Van Gulik verbaast zich dan ook dat ‘meerdere heeren van het gezelschap’ de proefneming overtuigend achten terwijl het echte resultaat ontbreekt. In het mededelingenblad van de school verklaart Van Gulik deze zinsbegoocheling door de ‘verrassende uitslag van de roede, zonder dat men daarvan een oorzaak ziet’. ‘Ik moet dan ook bekennen, dat deze roedebeweging ook mij bij de eerste kennismaking getroffen heeft’, schrijft hij.

Roedeman
Thuisgekomen laat Van Gulik een roede van koperdraad buigen en ontdekt hij dat hij binnen enkele minuten het kunstje kan aanleren. Samen met enkele leden van het Wageningse Natuurwetenschappelijk Gezelschap besluit hij de proef op de som te nemen en onderwerpt hij in 1915 een bekende wichelroedeloper uit Twickel - door Van Gulik in de publicatie T genoemd - aan een onderzoek in de proeftuin op Het Spijk, direct achter het toenmalige hoofdgebouw van de school. T krijgt de opdracht om de aanwezige ondergrondse waterleiding op te sporen. De rapporteurs houden de man nauwlettend in de gaten en maken een zeer gedetailleerd verslag van zijn rondgang.
Van Gulik en zijn metgezellen moeten erkennen dat de wichelroedeloper de ligging van de waterbuis ‘merkwaardig goed heeft getroffen’. Zij merken echter ook op dat op de plaatsen waar de wichelroedeloper afwijkt van de werkelijke waterloop de ‘aangewezen richting logischer schijnt dan de werkelijke’.
Een tweede proef met het afwisselend openen en sluiten van de kraan, waarbij de wichelroedeloper dit slechts in vijf van de tien gevallen weet op te merken, lijkt juist het ongelijk van de wichelroede aan te tonen. Van Gulik constateert dat de experimenten niet beslissend zijn, maar dat het waarschijnlijk is ‘dat de roedeman zich bij zijn werk door aanwijzingen en overwegingen heeft laten leiden’. Hij beklaagt zich over de povere proefopzet. Dat is volgens hem niet zo verwonderlijk voor ‘beoefenaars der natuurwetenschappen en ingenieurs, die bij onderzoekingen op eigen gebied steeds gewoon zijn de menschelijke psyche als factor buiten rekening te laten’.

Dubbelblind
De Wageningers besluiten tot nadere proefnemingen. Zo laten zijn vier ervaren wichelroedelopers onafhankelijk van elkaar onderlangs de Wageningse Berg natuurlijke waterstromen opsporen. De uitkomst van deze ‘wederzijdsche controle’ is desastreus voor de wichelroede. Van eenstemmigheid onder de lopers blijkt geen sprake en een bekende bron wordt door twee van hen over het hoofd gezien. Van Gulik concludeert: ‘Geen plaats haast of er is een ader ontdekt, en geen plaats ook of ze zijn we wel overheen geloopen; overal en nergens is water, dat is de consequentie van de wichelroede.’
De kers op de taart van de Wageningse experimenten is de proefopzet op Duivendaal, de huidige plaats van het Bestuurscentrum, waar hij de vier roedelopers een buisleiding laat opsporen waarin de waterstroom afwisselend open en dicht gezet kan worden. Het zijn dubbelblinde experimenten waarbij Van Gulik ervoor zorgt dat de volgorde van het open- en dichtdoen van de kraan door het lot wordt bepaald. ‘Een zaak van gewicht is verder, dat de personen, die zich bij den roedeman bevonden, zelve den toestand in de buis niet kenden.’
De roedelopers moeten onder deze omstandigheden twaalf keer aangeven of er al dan niet water stroomt. Helaas voor hen ligt hun gezamenlijke score onder de score die verwacht mag worden als er gewoon geraden wordt: 23 keer goed en 25 keer mis. Er is één score die een beetje afwijkt, maar dan in negatieve zin: roedeloopster R heeft het negen van de twaalf keer mis.
Volgens Van Gulik is de uitslag van deze proeven ‘volkomen in strijd met hetgeen roedeloopers, te goeder trouw, beweren te kunnen’. De schijnsuccessen van de wichelroede schrijft hij vooral toe aan de grote terrein- en bodemkennis van de lopers. Dat zou ook verklaren waarom zij het in ‘thuiswedstrijden’ – in de eigen streek – beter doen dan op onbekend terrein.
Van Gulik koestert overigens niet de geringste hoop dat met zijn onderzoek ‘de zaak als afgedaan beschouwd zal worden’. Hij krijgt in dat opzicht meer dan gelijk. Na de Tweede Wereldoorlog is het wichelroedelopen in de landbouw zelfs zo populair dat een door Wageningers gedomineerde werkgroep de opdracht krijgt ‘het wichelroedeprobleem’ te onderzoeken.
Het rapport dat deze groep in 1955 onder auspiciën van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen uitbrengt, beschrijft tientallen proeven naar verbanden tussen wichelroede-uitslagen en gewasgroei of dierziektes. Er werd noch bij vee, noch bij enig gewas ‘enig verband gevonden’ tussen ‘aanwijzigingen der wichelroede en bij dieren en planten optredende bezwaren’. Volgens de werkgroep heeft de wichelroede voor de landbouw ‘geen enkele practische betekenis’.

Gert van Maanen

Re:acties 2

  • Kuipers

    Een Wichelroede kan geen water opsporen. De wichelroede is het verlengde van degene die ze losjes vast heeft. De wichelroede reageert op een groot verschil in elektrische spanning dat waargenomen wordt in je lichaam. Een wichelroede kan daarop reageren doordat de verhoogde spanning de uiteinden van de roedes naar elkaar toetrekt.
    Wat ze vooral opsporen is een energiestroom die op deze specifieke locatie krachtiger is dan in het gebied daaromheen. Het gaat hierbij vooral om Aardenergie, een krachtige energie die op een begrensde locatie (van enkele meters tot tientallen meters in omtrek) uit de Aarde omhoog komt. Aan deze energie is (vaak) een waterbron verbonden, wat logisch is. Een zwakke plek in de aardkorst laat energie gemakkelijker omhoog komen. Op zo’n zwakte in de aardkorst vind ook water een weg om te gaan. Dat dit water een hogere elektrische lading heeft en daardoor genezend werkt bij bepaalde ziektes waarbij een tekort aan energie een rol speelt is theoretisch verklaarbaar.
    Je spoort met een wichelroede een plaatselijke energiebron op die uit de Aarde omhoogkomt. Er zijn mensen die zonder wichelroede deze krachtplekken kunnen voelen en zich daar bewust van zijn. Veel anderen zullen het voelen naar niet herkennen en het min of meer negeren. Des te hooggevoeliger een mens is des te beter is deze in staat om kleinere spananingverschillen aan te voelen. Niet iedereen heeft dezelfde gevoeligheid. Dat zal ook effect hebben op de mate waarin de wichelroede reageert.
    Een wichelroede is hooguit een verlengstuk.

    Het opsporen van waterlopen zal alleen slagen als aan deze waterloop een krachtige energie is verbonden. Stromend water uit een waterleiding staat er juist om bekend dat deze een lage energiewaarde hebben. Alleen water dat continue stroomt (in de aarde onder de grond, als een soort isolerende leiding) of kolkt boven de grond (draaikolk, waterval) neemt energie op en houdt deze vast.
    Wie meedoet aan een wetenschappelijke test met waterleidingen en dergelijk neemt zichzelf niet serieus genoeg en gaat meedoen in een welles nietes spelletje dat alleen verliezers oplevert.

    Reageer
  • Henk Jansen

    Nu weet ik zeker wat ik al lang dacht; Wichelroede lopers/gebruikers hebben 'last' van een soort bijgeloof. Ik sprak er een omstreeks 1975 en zei hem dat de wichelroede niet brengt wat gebruikers er van verwachten. Hij zei dat het wel werkt en er 'wateraders'mee op kon sporen. Hij was niet van zijn standpunt af te brengen. Vervolgens haalde hij zijn wichelroede op en liet die bewegen op een bepaalde plek boven de vloer van zijn cafetaria. Hier zit een waterader zei hij toen. Ook hier was sprake van voorkennis en ik heb de fysieke aanwezigheid van de ader niet kunnen constateren.

    Reageer

Re:ageer