Wetenschap - 1 januari 1970

‘Wageningen beseft nog niet helemaal dat wij er zijn’

Praktijkcentrum Zegveld van de Animal Sciences Group ligt in het veenweidegebied ten noorden van Woerden bij de Nieuwkoopse plassen. Het is een gangbaar melkveebedrijf in een gebied dat niet geschikt is voor grootschalige landbouw. Door een hoge kostprijs verdienen boeren niet vanzelfsprekend een dik belegde boterham. Maar als je het landschap open wilt houden heb je boeren nodig, erkent ook Natuurmonumenten. Een gesprek over hoe je kunt boeren tussen zeven miljoen mensen.

Praktijkcentrum Zegveld ligt aan een stille weg die zich tussen de weilanden door slingert. Hier en daar staat een boom en verder heb je een weids zicht op vlak weiland met overal sloten. Het centrum bestaat uit een verzameling stallen en een ontvangsthal. Het erf is opgeruimd en biedt veel ruimte aan parkerende bezoekers. Bij het terrein horen twee woonhuizen, voor twee medewerkers met hun gezin; koeien kun je niet lang alleen laten. Bedrijfsleider Joop Verheul woont even verderop. ,,We zijn het enige praktijkcentrum ter wereld op veengrond. Er zijn veel landen met veengrond, zoals Ierland, Duitsland en Zweden, maar daar staan geen proefbedrijven op. Verder wordt hier, aan de rand van het Groene Hart, landbouw bedreven tussen zeven miljoen mensen. Je hebt hier dus nadrukkelijk te maken met de maatschappij.’’
Boeren op veen dat voor meer dan veertig procent uit organische stof bestaat, betekent stoeien met water. Bij een hoog slootpeil is de grond al gauw te drassig om te betreden met koeien en trekkers, bij een lagere waterstand klinkt de grond snel in. Ook is het soort gras dat hier groeit minder voedzaam. ,,Eenderde van het grasland in Nederland ligt op veengrond. De kostprijs is hier wat hoger en je moet toch fatsoenlijk brood op de plank zien te krijgen, dus onderzoek blijft belangrijk. Ik heb bovendien de indruk dat we van klei en zandgrond inmiddels al veel weten.’’
Het bedrijf heeft honderd melkkoeien. Ze staan in een ligboxenstal uit 1978, met een middenpad dat breed genoeg is voor een trekker. Het jongvee - dertig kalveren en dertig pinken - is apart gehuisvest. Verder staan in een halfopen stal nog vijftig schapen. ,,Schapen passen ideaal in het veenweidegebied. In het najaar groeit hier nog veel gras doordat er veel stikstof in de bodem zit. Koeien vinden het gras minder smakelijk, maar schapen eten alles.’’ De Swifter schapen zijn volop aan het lammeren. Gemiddeld krijgen ze drie lammeren, maar regelmatig ook vier. Twee weken geleden kregen 28 schapen bij elkaar 84 lammeren. Dat was even hard doorpoten. ,,Maar we wisten dat het er aan zat te komen want een ram had op een dag twintig ooien gedekt. Dat hij nog op zijn benen kon staan’’, lacht Verheul. Op een stapel hooibalen in een hoek liggen twee katten opgerold te slapen. ,,Het barst hier van de katten. We voeren ze nooit, maar we hebben hier ook geen muizen en ratten.’’
Op het centrum werken momenteel vijf mensen. Naast de bedrijfsleider zijn dat een onderzoeker en drie dierverzorgers. ,,De kosten voor het praktijkcentrum zitten voor de helft in arbeid. Als ik extra mensen nodig heb huur ik de Agrarische bedrijfsverzorging in, waardoor mijn eigen personeel zich meer bezig kan houden met het uitvoeren van onderzoek’’, licht Verheul zijn bedrijfsvoering toe.

Natuurwaarden
Sinds 1990 wordt in Zegveld gekeken naar de vraag hoe je bij een duurzame melkveehouderij de aanwezige natuurwaarden kunt handhaven en versterken. ,,Als je op veengrond het gras niet verzorgt is het binnen vijf jaar moerasbos. Dan heb je de keuze: willen je groen, een open gebied, koeien, weidevogels, en wil je de cultuurhistorische elementen bewaren? Dan moet je het grasland fatsoenlijk beheren en daar heb je boeren voor nodig. Dat is de crux. Dit gebied is niet geschikt voor mega-landbouw. De consument wil een open, beheerd gebied en vogels zien.’’
Verheul denkt dat de toekomst van graslanden in het Groene Hart in hoge mate wordt bepaald door de partners in het gebied, te weten de Vereniging Natuurmonumenten en de boeren. Dit opent ook nieuw onderzoeksterrein. ,,De vraag is wie straks het vele gras uit de natuurgebieden gaat opvreten.’’ Daarvoor moet worden uitgezocht of de koe het vreet, wat de voedingswaarde is en hoe dat voer geoptimaliseerd kan worden.
De bedrijfsleider heeft daarom samenwerking gezocht met Natuurmonumenten. Er ligt nu een plan op hoofdlijnen volgens welke de natuurvereniging een bezoekerscentrum bouwt aan de Nieuwkoopse plassen over het beheer ervan, en het praktijkcentrum een bezoekerscentrum over landbouw in het veenweidegebied. Daarnaast wil Zegveld een nieuwe boerderij bouwen voor melkvee dat uitsluitend leeft op gras uit natuurgebieden. Het geld gaat er denkt hij wel komen, omdat de partijen samen optrekken. ,,Als je een goed onderzoeksvoorstel hebt is er altijd geld. Zelfs in de huidige recessie. Waarom vrijen wij al jaren met Natuurmonumenten: dat is synergie ontwikkelen. Het huidige plan is het resultaat van tien jaar verkering.’’
Onderwerpen waar de laatste tijd onderzoek naar is gedaan variëren van alternatieve boxafscheidingen, fosfaatnormen, weidevogelbeheer en zakking van het maaiveld. Verheul ziet overigens geen heil in overschakelen naar biologische productie op zijn proefbedrijf. ,,Om op veengrond biologisch te boeren moet je een laag slootpeil hebben, waardoor de grond sneller inklinkt. Bij een hoger slootpeil levert de grond echter geen stikstof. Maar door de biologische landbouw is de reguliere landbouw wel wakker geworden. Het stikstofgebruik in de reguliere landbouw is bijvoorbeeld flink gedaald. Verder blijft de afzet van biologische producten problematisch.’’

Kansen voor WUR
Het praktijkcentrum is in 1950 opgericht door de Landbouworganisaties. Totdat het centrum opging in het Praktijkonderzoek Veehouderij, in 2001, had Zegveld een boerenbestuur. Nu werkt Verheul met een brede denktank, van innovatieve veehouders tot landschapsbeheerders en ambtenaren. ,,Die moet ideeën genereren en waken over onderzoek en bedrijfsvoering.’’ Verheul denkt dat het mede aan de goede ideeën uit de denktank te danken is dat zijn praktijkcentrum regelmatig jaren met een positief saldo afsluit.
Op Zegveld wordt naast voor Praktijkonderzoek van ASG al dertig jaar onderzoek uitgevoerd voor Alterra en sinds kort ook met PRI. ,,Als onderzoeks- en kenniscentrum hebben we Wageningen veel te bieden. We zijn laagdrempelig en hebben een prima netwerk van politici, boeren en maatschappelijke groepering. In onze zaal vergaderen niet alleen boeren maar ook mensen van de vogelbescherming en landschapbeheerders. Ten tweede zitten voor de politiek dicht bij Den Haag. Zeer regelmatig willen politici hier bijgepraat worden over het Groene Hart en het veenweidegebied, zoals laatst Jan Marijnnissen. Verder krijgen we met excursies 7000 bezoekers per jaar, zijn we een goed geoutilleerd bedrijf en praktisch ingesteld. Hier liggen kansen voor andere instellingen van WUR.’’ Volgens Verheul kan zijn centrum een hoofdrol spelen bij het binnenhalen van onderzoeksopdrachten en bij kennisdoorstroming. De onderzoeksvragen uit de regio kunnen namelijk direct vertaald worden naar onderzoeksprogramma’s, waarvan de resultaten meteen toepasbaar zijn. ,,Ik denk dat nog niet geheel is doorgedrongen bij WUR dat wij er zijn. Mogelijk is men door een krappe financiële situatie erg op zichzelf gericht. Ik zeg: zoek partners en je staat sterk.‘’
Als het plan met Natuurmonumenten doorgaat wil hij ook de maatschappijwetenschappen benaderen. ,,De maatschappij zit hier dicht bij de landbouw en we werken aan bezoekerscentra. Wat kunnen we voor elkaar betekenen? Ik barst van de ideeën. Die zijn misschien waanzin, maar stomme ideeën bestaan volgens mij niet.’’

Bedrijfsplan
Verheul vindt het gezond dat hem gevraagd is een bedrijfsplan voor het centrum te schrijven. ,,Je zou dat eigenlijk iedere vijf jaar moeten doen. Het is alleen jammer dat nu de achtergrond weinig geld is.’’ Hij vindt het niet vreemd dat ieder centrum in het praktijkonderzoek een afzonderlijk plan moet maken. ,,Laten we elkaar niks wijs maken. Als je geen interessant bedrijfsplan kan maken moet je nog een keer in de spiegel kijken.’’ In Zegveld wisselen jaren met een bescheiden verlies en winst elkaar af. ,,Een jaar verlies heeft als voordeel dat je als bedrijfsleider wordt wakker geschud dat je dingen moet veranderen. Dan moet je betere projecten binnen gaan halen. Ik maak dan misbruik van koffiedrinken met het personeel en de denktank’’, beschrijft hij lachend zijn werkwijze.
De praktijkcentra mogen dan allemaal op de tocht zijn gezet door de directie van ASG, Verheul vindt dat je je twee keer moet bezinnen voor je een praktijkcentrum sluit. ,,De onderscheidende kracht van Wageningen UR is naast modelstudie het praktische onderzoek. De jaarlijkse nadelige budgetten zijn niet zo groot, dus het financiële voordeel van sluiting is gering.’’ Hij ziet wel mogelijkheden om in de overhead te snoeien. ,,We moeten vrij veel geld aan de centrale organisatie overmaken. Daar betalen ze de directiekosten van en ondersteunende afdelingen als de administratie en HRM. Maar toen dat nog hier was, was het zeker zo goed en goedkoper.’’
Op het verlanglijstje van Verheul staat, naast de overeenkomst met Natuurmonumenten, een nieuwe stal. ,,Onze stal is van 1978. Als praktijkcentrum heb je een moderne stal nodig. Boeren moeten vaak komen, dan moet je ze wel wat te bieden hebben. Bij praktijkonderzoek is de stallenbouw de laatste jaren wat ingeslapen. Als ik mijn zin kreeg zou iedere tien jaar de boel geactualiseerd worden.’’ Zijn centrum ziet hij niet verdwijnen. De plannen met Natuurmonumenten zijn niet zijn enige troef. ,,Door onze ligging en regionale functie zijn we al jaren volstrekt uniek. Er zijn nog vele technische elementen waar we nog geen antwoord op hebben. Als er één centrum boven de wet staat zijn wij het. Maar ik ben volstrekt kleurenblind.’’
Yvonne de Hilster


Zegveld

De Animal Sciences Group heeft, verspreid over het land, elf praktijkcentra voor onderzoek naar melkvee, varkens, kippen en paarden. De centra zijn merendeels opgezet door de sector en sinds 2001 officieel onderdeel van Wageningen UR. De belangrijkste opdrachtgevers, het ministerie van LNV en de productschappen, gaan de komende jaren echter miljoenen minder besteden bij Praktijkonderzoek. Daarom staan, aldus interim-hoofd prof. Pim Brascamp, in principe alle praktijkcentra op de tocht. De centra zijn daarom gedwongen bedrijfsplannen te schrijven, waarin ze nadrukkelijk moeten zoeken naar andere, regionale inkomstenbronnen. De plannen zijn bepalend voor de toekomst. Maar wat doen de praktijkcentra eigenlijk? En hoe zien ze hun toekomst? Wb ging langs vijf centra. Deel 1: Zegveld.



Joop Verheul

Bedrijfsleider Joop Verheul van Praktijkcentrum Zegveld groeide op op een melkveebedrijf. Voordat hij dertig jaar geleden naar Zegveld kwam werkte hij bij het ministerie van landbouw en de landbouwvoorlichtingsdienst. Als bedrijfsleider houdt hij zich bezig met managen, acquisitie en kennis verspreiden. ,,Ik melk eens per week. Dat wil ik persé. Ik houd veel inleidingen en als ik voor een groep boeren sta moet ik wel weten waar het over gaat.’’

Re:ageer