Wetenschap - 1 januari 1970

Wageningen UR onderzoeksagenda voor biologische landbouw

Wageningen UR onderzoeksagenda voor biologische landbouw

Wageningen UR onderzoeksagenda voor biologische landbouw

De kennis van biologische productiemethoden is onvoldoende om reguliere grote agrarische bedrijven te laten omschakelen naar biologische landbouw. Ook de organisatie van de keten vertoont leemtes, waardoor producten onvoldoende efficiƫnt kunnen worden afgezet en verwerkt. De vraag van de consumenten naar biologische producten groeit echter sterk. Vandaar dat Wageningen UR samen met het Platform Biologica, waarbinnen biologische boeren, handelaren en verwerkers samenwerken, een strategische onderzoeksagenda wil opzetten

Wageningen UR zal zorgdragen voor een samenhangend plan voor kennisontwikkeling en overdracht. Het Platform garandeert een praktijkgerichte en brede opzet. In het plan moeten alle aspecten van de keten, van agrarische productie tot consumentenwensen, in beeld worden gebracht. Zo moet er zicht komen op hiaten in de kennis. Uiteindelijk moet er in januari 2000 een eindrapport verschijnen dat de basis legt voor een vijfjaren-onderzoeksplan. S.V

TNO en DLO samen in diervoeding

Meer aandacht voor gezondheid en milieu


Dr Berthold Janszen van TNO Voeding is een van de initiatiefnemers van de samenwerking. Die was volgens hem onvermijdelijk. Als het om veevoer ging, was de vraagstelling vroeger tamelijk eenvoudig: hoe halen we meer uit het dier? De laatste jaren zijn daar onderzoeksvragen bijgekomen als: hoe kun je via het voer de gezondheid van het dier verbeteren? Hoe verminder je de hoeveelheid mineralen in de mest? Dat zijn onderzoeksvragen die de inbreng van allerlei specialismen vragen. TNO heeft ze niet in huis, maar DLO wel.

Drs Onno van Eijk van het ID-DLO geeft nog twee andere redenen voor de samenwerking. We waren op toch al op hetzelfde onderzoeksgebied actief, zegt hij. Als je dat beseft, dan krijgt apart doorgaan al snel iets van opnieuw het wiel uitvinden. Daarnaast heeft DLO wel oren naar TNO's ervaring met het opereren op de vrije markt. Van Eijk: Het ID-DLO heeft vanouds veel gewerkt voor de overheid, maar er was ook bij ons sprake van een trend naar werken voor het bedrijfsleven. Daarom is TNO's ondernemerservaring erg aantrekkelijk.

De joint venture zal zich met praktisch alle aspecten van diervoeding gaan bezighouden: van waardering van voer tot de fysiologie van de vertering, en van voedingsadditieven tot effecten van veevoer op gezondheid en milieu. De aandacht van de joint venture zal zich op de korte termijn echter richten op twee speerpunt: registratieproeven voor de agro-farmaceutische industrie en onderzoek voor de pet food-industrie. In het eerste geval gaat het om onderzoek naar de effecten van nieuwe medicijnen en additieven die aan het veevoer worden toegevoegd. De industrie moet dergelijk onderzoek overleggen aan de overheid om toelating te verkrijgen. In het tweede geval gaat het om onderzoek naar nieuwe voeding voor gezelschapsdieren, dat tot voor kort door de industrie zelf werd verricht, aldus Janszen. Maar nu begint de industrie ons als onderzoeksinstelling te ontdekken. Op de wat langere termijn wordt ook gedacht aan onderzoek naar visvoer

De joint venture gaat ID TNO DierVoeding heten, en wordt gehuisvest in de gebouwen van het ID in Lelystad. De onderneming blijft onderdeel van zowel ID-DLO als TNO Voeding. W.K

Re:ageer