Wetenschap - 1 januari 1970

Waarom geen plastic bomen?

Na het enige jaren zonder te hebben moeten doen, heeft Wageningen Universiteit weer een humanist onder haar filosofen. Bijzonder hoogleraar in de humanistische wijsbegeerte prof. Marcel Wissenburg wil de vlam van de verlichting overbrengen en tolereert geen ondoordachte aannames. Als er geen goed argument kan worden bedacht tegen bomen van plastic, dan moeten we ze accepteren.

Filosoof prof. Marcel Wissenburg. / foto Guy Ackermans

Stel dat we bomen van plastic konden maken die net zo effectief zuurstof produceren als echte bomen. En die er bovendien hetzelfde uitzagen en hetzelfde aanvoelden. Stel dat we aan niets zouden merken dat de bomen niet ‘echt’ waren. En dat ze daarbij ook nog zuiniger in het gebruik waren. Stel verder dat mensen de waarde van dingen bepalen aan de hand van de waarde die ze voor henzelf hebben. Dan leidt dit gedachte-experiment tot drastische gevolgen. ‘Dan zouden we alle bomen als de wiedeweerga door plastic bomen moeten vervangen’, zegt prof. Marcel Wissenburg. En, als het even kan, ook bomen ontwerpen die biefstukken produceren.
Bomen van plastic. Daar klopt iets niet, dat druist in tegen ons gevoel van wat goed is. Voor het einde van de zeventiende eeuw was er een eenvoudig antwoord op dergelijke vragen. Plastic bomen, dat is niet zoals God het gewild heeft. Maar tijdens de verlichting, de periode waarin de rationaliteit terrein won op het geloof, is het leven naar de opdracht van God als doel verdwenen, zegt Wissenburg. Toch hebben we, ook ontdaan van dat doel, nog het gevoel dat we niet zomaar alles met de natuur mogen doen.
Natuurbeschermers, politici, beleidsmakers, maar ook filosofen, hebben die morele intuïtie daarom gerechtvaardigd door de natuur intrinsieke waarde toe te kennen. Los van het nut voor ons mensen heeft de natuur waarde, waarde in zichzelf. Maar, zegt Marcel Wissenburg, de toekenning van intrinsieke waarde aan de natuur enkel op basis van onze morele intuïtie is gevaarlijk. Wissenburg: ‘Morele intuïties hebben in de vorige eeuw zes miljoen joden de gaskamer ingejaagd. Het is gevaarlijk als we denken dat we niet hoeven te weten wat we doen en waarom we het doen, zolang we het goede maar doen.’
Zo ook mag een begrip als de intrinsieke waarde van natuur niet klakkeloos aangenomen worden, maar moet het grondig doordacht worden, aldus Wissenburg.

‘Het is gevaarlijk als we denken dat we, zolang we het goede doen, niet hoeven te weten waarom we dat doen’
Reflectie
In een veertig pagina’s tellende inaugurele rede, in kortere vorm vorige week donderdag uitgesproken, spit Wissenburg daarom de filosofische literatuur door op zoek naar goede redenen om géén bomen van plastic te gaan bouwen. Het blijft tevergeefs. Een beroep op de ‘natuurlijkheid’ van houten bomen houdt geen stand. Want uit het feit dat de natuur op een bepaalde manier georganiseerd is, hoeft nog niet de norm te volgen dat wij mensen ons daar aan moeten houden. Ook het begrip ziel, vaak gebruikt om mensen intrinsieke waarde toe te kennen, biedt geen uitkomst, want de natuur als geheel kan geen ziel toegekend krijgen.
Het best toepasbaar lijkt nog de waarde te zijn die bomen voor mensen hebben. Dit zogenoemde antropocentrisme reduceert bomen niet per definitie tot enkel nuttige grondstoffen, benadrukt Wissenburg. Bomen kunnen ook de behoefte aan rust, schoonheid of reflectie stillen. Die reflectie kan er zelfs toe leiden dat een mens zich andere doelen gaat stellen. ‘Wie de natuur waardeert kan gaan inzien dat een jachtig leven op zoek naar rijkdom relatief leeg is.’ Ook zijn er andere maten van waardering van de natuur denkbaar, bijvoorbeeld de waardigheid van natuur, in plaats van de economische prijs van de producten van de natuur. Maar nog steeds is het allemaal beredeneerd vanuit de mens, vindt Wissenburg, en nog steeds is dat geen goede reden om geen bomen van plastic te maken.

Het totaal andere
De laatste poging van Wissenburg om de morele intuïtie te redden dat we geen bomen door plastic mogen vervangen, gaat uit van de filosofen Kant en Levinas. Volgens Immanuel Kant kennen mensen intrinsieke waarde toe aan zaken waarin ze zichzelf herkennen. Eigenschappen die we in anderen herkennen moeten we ook waarde toekennen, anders kunnen we ze niet in onszelf waarderen. Probleem van de natuur is dat we haar niet kunnen zien als de Ander, zoals Emmanuel Levinas dat ziet, een ander waar we een relatie mee kunnen hebben.
In navolging van Simon Hailwood, een andere filosoof, beschouwt Wissenburg de ongerepte natuur daarom als ‘het totaal andere’, iets waar we geen relatie mee hebben en waar we bijna niets in herkennen. Het enige wat de mens kan herkennen van zichzelf in die onaangetaste natuur, is de onafhankelijkheid van die natuur van ons. Die natuur is in staat om los van ons te leven, en mensen zijn in staat los van die natuur te leven. En dat, zegt Wissenburg, kán een reden zijn om echte bomen niet te vervangen door plastic bomen.
Kán, want naast deze waardering blijft de waardering gelden dat de natuur nut heeft voor de mens, als hulpbron. En die verschillende vormen van waarde kunnen naast elkaar bestaan, denkt Wissenburg. ‘We mogen dus naast echte bomen óók bomen van plastic gaan maken en naast runderen ook biefstukbomen. Waar de grens precies ligt, blijft vooralsnog open voor discussie.’

Biotechnologie
Wat is het nut van dit soort overpeinzingen? Wissenburg: ‘Organisaties die opkomen voor de natuur moeten niet te snel een beroep doen op antropocentrische argumenten. Ze snijden zichzelf in de vingers door het nut voor de mens van de natuur te benadrukken, want daaruit volgt, zie het voorbeeld van de bomen, dat we de hele natuur kunnen afschaffen. Beschouwen we bijvoorbeeld biodiversiteit vanuit het nut voor de mens, dan is het juist een goede zaak als door biotechnologie nieuwe soorten ontstaan. Maar natuurbeschermers moeten ook niet te snel het begrip intrinsieke waarde gebruiken, want dat blijkt dus uiteindelijk nauwelijks hard te maken.’
Maar er is ook een algemene conclusie te trekken, zegt Wissenburg, die vooral onderzoekers in hun oren moeten knopen. ‘Zoiets als intrinsieke waarde mag nooit een gegeven worden. Er moet steeds grondig aan getwijfeld worden. Onderzoekers en studenten hebben filosofie nodig om zich af en toe af te vragen waarom ze de dingen doen die ze doen. Want als er in een onderzoek één aspect vergeten wordt, is het hele onderzoek waardeloos. Neem bijvoorbeeld onderzoek naar genetische manipulatie. Dat kan waarden schenden die mensen hebben, wat verzet oplevert. Als je er dan nooit over nagedacht hebt, reageer je verkeerd op dat verzet, wat weer leidt tot onbegrip.’
Gevraagd naar een aanbeveling om onderzoekers tot denken aan te zetten is Wissenburg ineens erg concreet: ‘Geld. Onderzoekers en studenten moeten de tijd krijgen om na te denken. En ze moeten die tijd inefficiënt kunnen gebruiken. Inefficiëntie moet juist gestimuleerd worden. Want problemen goed doordenken vraagt om vallen en opstaan. Efficiency is dus contraproductief.’

Joris Tielens

Re:ageer