Wetenschap - 24 januari 2017

Waarom boeren blijven boeren

tekst:
Albert Sikkema

Nu er steeds minder boeren komen bij gebrek aan opvolger en perspectief, wordt het hoog tijd voor de vraag: waarom wil een boer nog boer blijven? Bedrijfseconoom Miranda Meuwissen gaat het uitzoeken in een EU-project.

<Miranda Meuwissen op bezoek bij boerderij De Hooilanden in Bennekom, foto van Ingrid Blees>

Waarom een boer blijft doorboeren, houdt Meuwissen al enige jaren bezig. Ze komt uit een boerennest. Haar familie in Limburg was varkensfokker, teelde asperges of hield melkvee. Maar ze zijn bijna allemaal gestopt, bij gebrek aan opvolger en perspectief. ‘Daar praat je dan over op verjaardagen. Wie zorgt er straks voor ons voedsel en onder welke voorwaarden kunnen boeren blijven boeren?’ Dat mag ze nu uitzoeken in een omvangrijk EU-project van zo’n 5 miljoen euro.

Veerkracht
Zestien onderzoeksinstellingen in dertien landen onderzoeken de veerkracht van Europese boeren. De WUR coördineert het onderzoek en is met vier leerstoelgroepen de belangrijkste partner. Plant Production Systems kijkt naar de bedrijfssystemen, Bedrijfseconomie naar de economische aspecten, Strategische Communicatie naar de communicatie en Bestuurskunde naar het beleid. Naast onderzoekers doen ook banken, verzekeraars, boeren- en consumentenorganisaties en voedselverwerkende bedrijven mee met het onderzoek.

Het project moet de veerkracht van de Europese boeren beter leren begrijpen, legt Meuwissen uit, en tot adviezen komen hoe ze duurzaam kunnen blijven boeren. Het helpt dat ze daarbij uiteenlopende landbouwsystemen onderzoeken in meerdere landen. ‘Die variëteit helpt om de problematiek beter te begrijpen en tot goede voorstellen te komen.’

Risicomanagement
Meuwissen concentreert zich in het project op het risicomanagement van de boeren. Ze gaat de komende vier jaar na hoe de boeren de risico’s inschatten en welke risico’s ze willen beperken. Met behulp van die gegevens wil ze betere ketenafspraken, samenwerking en verzekeringen voor de boeren adviseren.  Een tweede deelproject kijkt naar de mate van vergrijzing van de boerenstand, maar ook naar welke boerenkinderen en nieuwe groepen boer willen worden. Dat moet tot adviezen leiden over de bedrijfsopvolging. Een derde groep onderzoekers kijkt naar verbeteringen in het beleid om de veerkracht van boeren te vergroten. Ook wordt gekeken naar de goede omgevingsfactoren voor een boerenbedrijf, waarbij de leefbaarheid van het platteland en de verbinding met de consument aan bod komen, vertelt Meuwissen.

Wijnteelt
Alle boeren in Europa hebben het moeilijk, constateert ze. Haar Italiaanse collega’s kijken naar de noodlijdende kleinschalige wijnteelt in Italië, haar Franse collega’s naar de inefficiënte Franse rundvleesproductie.  De Engelsen en Bulgaren gaan de levensvatbaarheid van hun grootschalige akkerbouwers bestuderen, de Zweden hun kleinschalige pluimveeketens voor duurzame kip in het duurdere marktsegment. De Polen beoordelen hun fruitteeltbedrijven die afhankelijk zijn van seizoenarbeiders uit Oekraïne en het Nederlandse team gaat de veerkracht van onze akkerbouw doorlichten. Steeds is de vraag: wat helpt deze voedselproducenten om hun bedrijf voort te zetten?

De WUR gooit drie promovendi in de strijd om de antwoorden te vinden. Het mooie, zegt Meuwissen, is dat die aio’s ieder bij twee leerstoelen zitten, zodat ze kruisverbanden kunnen leggen tussen bedrijfssystemen, omgevingsfactoren, risicomanagement en beleid. Het EU-project, genaamd SURE-Farm, duurt vier jaar.


Re:ageer