Organisatie - 7 juni 2007

Waar blijven de vrouwen aan de top?

Het percentage vrouwelijke hoogleraren binnen Wageningen Universiteit blijft ver achter bij het Europese gemiddelde en bij het streefcijfer van de Nederlandse overheid. Stimulerende maatregelen hebben weinig effect. Logisch, zeggen vrouwen uit de Wageningse subtop. Wie kiest er nou vrijwillig voor een werkweek van zeventig uur en een stukgelopen huwelijk?

3_achtergrond0.jpg
Onderwijsminister Maria van der Hoeven wil dat in 2010 15 procent van de hoogleraren in Nederland vrouw is. Geen onmogelijk streven, zo lijkt het, want het Europese gemiddelde is 15,5 procent. En in landen als Roemenië, Letland en Turkije worden zelfs percentages tussen de 25 en 30 gehaald. Toch blijft in ons land het gemiddelde al jaren hangen rond de 10 procent. Alleen België, Duitsland en Malta doen het nog slechter.
Wageningen zit met 11,6 procent net boven het landelijke cijfer. Maar het doel van Van der Hoeven is daarmee nog niet in zicht. Vreemd, want de man-vrouwverhouding onder Wageningse studenten en promovendi is wel in balans. Pas als het gaat om posities als universitair docent (UD), hoofddocent (UHD) of hoogleraar slaat de weegschaal door naar de mannenkant. Hoewel meisjes sneller zijn en gemiddeld betere resultaten halen, stoten vrouwelijke academici niet door naar de top.
Katja Teerds, universitair hoofddocent bij de leerstoelgroep Fysiologie voor mens en dier, doet wel pogingen. Even geleden heeft ze gesolliciteerd naar de vacante functie van hoogleraar binnen haar vakgroep. Ondanks haar bereidheid meer dan fulltime te werken, is ze het niet geworden. ‘De aanstellingscommissie focust op onderzoek en het binnenhalen van geld. Maar wij zijn een kleine groep en geven veel onderwijs. Ik heb hierdoor te weinig geld binnengehaald. Ik vind dat er te gemakkelijk over het onderwijsaspect heen is gestapt. Onderwijs is een primaire activiteit van een universiteit, maar als het om hoogleraarschap gaat, telt het nauwelijks meer mee.’

Mannenprofiel
Volgens Margreet van der Burg, universitair docent Gender studies en Agrarische geschiedenis en auteur van het boek ‘Vrouwen, Wageningen en de Wereld’, ligt het niet aan de vrouwen zelf dat ze de top niet halen. ‘Zelfs vrouwen die zich helemaal kapot werken en cursussen doen, halen het vaak niet. Het is de cultuur van de organisatie en de beeldvorming van het hoogleraarschap die de doorstroming van vrouwen doet stagneren’, zegt zij. ‘Het hoogleraarschap heeft een mannelijk profiel. Als je een kans wil maken, moet je een houding hebben van: mij maak je niks. Een hoogleraar moet zich volledig op het werk richten en duidelijk aanwezig zijn, de eerste zijn die iets zegt, direct zijn in reacties en minder onderling overleggen.’
Dit soort patronen maken dat vrouwen aan de academische top ‘minder goed floreren’, zegt Van der Burg. ‘Ze moeten zich anders voordoen dan ze zijn. Zelf ben ik gewend om met een voorstel te komen dat soms nog niet helemaal af is. Ik verwacht dan dat anderen meedenken en met mij samenwerken. Ik wil een cultuur die mij hierin ondersteunt.’ In plaats daarvan merkt ze dat collega’s snel een oordeel vellen. ‘De universiteit is geen veilige omgeving om fouten te maken. En geheid dat mannen ook wel eens fouten maken, alleen liggen zij er niet nachten van wakker.’
Volgens Thea Hilhorst, bijzonder hoogleraar Humanitaire hulp en wederopbouw, moet je inderdaad tegen een stootje kunnen. ‘Ik vond het bijvoorbeeld schokkend hoeveel mensen bij de bekendmaking van mijn benoeming suggereerden dat ik die te danken had aan het feit dat ik een vrouw ben’, zegt Hilhorst. ‘Er was een collega die schaterlachend zei: nu je hoogleraartje wilt spelen, moet je het ook waarmaken. Had hij dat ook gezegd als ik een man was geweest? Het maakt me nijdig. Ik werk keihard, ben cum laude geslaagd en gepromoveerd, heb een grote lijst met publicaties, een enorm uitgebreid netwerk en haal veel fondsen binnen. Ik vind het simpelweg beledigend om het dan te hebben over hoogleraartje spelen.’

Geen bonussen
Bonussen voor leerstoelgroepen die een vrouwelijke hoogleraar aanstellen, zouden de zaak alleen maar verslechteren, meent Katja Teerds. Ze is blij dat rector Martin Kropff deze mogelijkheid van de hand wijst. ‘Ik wil niet dat collega’s straks zeggen dat ik ben aangenomen vanwege een bonus. Het is terecht dat het om de kwaliteiten gaat’, zegt Teerds.
Ook Ivonne Rietjens, hoogleraar Toxicologie, is tegen de bonussen. ‘Je moet mensen beoordelen op wat ze doen.’ Zij stelt iets anders voor om het vrouwelijke hoogleraarschap te ondersteunen: ‘Het zou goed zijn om vrouwelijke UHD’s een coachingstraject te laten doorlopen. Dit kan hen helpen de keuzes te maken die goed zijn voor hun carrière.’ Mannen met oudere dochters moeten de UHD’s begeleiden, meent Rietjens. ‘Zij staan veel positiever en meer open tegenover vrouwen die carrière maken.’
Het is overigens de vraag of er veel werk zal zijn voor deze coaches. Want veel vrouwen binnen de universiteit lijken nu bewust te kiezen voor een andere loopbaan. ‘Ik wil nog wel een postdoc doen, maar daarna waarschijnlijk iets anders’, denkt Sarian Kosten, aio Aquatische ecologie. ‘Het is moeilijk om een vaste aanstelling te krijgen na je promotie. Tijdelijke contracten ben ik op een gegeven moment toch zat.’
Rinske Valster, aio Microbiologie, heeft niet de ambitie hoogleraar te worden vanwege het drukke bestaan. ‘Ik zie veel hoogleraren zestig tot zeventig uur per week werken. Dat wil ik niet.’ Datzelfde geldt voor Colette Broekgaarden, aio bij Entomologie. ‘Ik wil die kant zeker niet op’, zegt zij resoluut. ‘Ik zit met vier andere vrouwelijke promovendi op een kamer. Als we het over dit onderwerp hebben, komen we telkens uit op het feit dat we te zeer gehecht zijn aan een sociaal leven. Als ik de verhalen hoor van werken tot diep in de nacht en huwelijken die stuklopen, dan kies ik daar liever niet voor.’
Ook Nicoline Soede, universitair hoofddocent Adaptatiefysiologie, kiest bewust niet voor het hoogleraarschap. ‘Ik ben nu 42 jaar en heb tot mijn 38ste voltijd gewerkt. Toen kreeg ik kinderen. Op dit moment werk ik parttime. Als ik hoogleraar zou willen worden, moet ik nog heel hard aan de slag. Het traject daar naartoe bereik ik niet in vier dagen per week van acht tot vijf.’


Hartinfarct
Maar waar veel vrouwen zich door hun gezin laten weerhouden van de stap naar de top, was het gezin voor Thea Hilhorst juist de aanleiding. ‘In mijn werkveld vereiste het onderzoek dat ik maandenlang in het buitenland zat. Ik heb een gezin met vier kinderen. Ik wilde minder vaak in het veld zitten, zodat ik vaker bij hen kon zijn. Dat betekende dat ik me automatisch meer ging richten op het binnenhalen en aansturen van onderzoek van anderen. Overdag ben ik geregeld met de kinderen bezig. Vaak zit ik in de weekenden en ’s avonds nog tot laat achter mijn computer. Ja, dat zijn rare tijden, maar ik vind mijn werk leuk en ik kan het zo goed combineren.’ Datzelfde geldt voor hoogleraar Ivonne Rietjens. ‘Veel vrouwen kiezen voor parttime werken. Dat is prima, maar als hoogleraar moet je fulltime werken. Ik heb tijd voor mijn werk en voor mijn gezin. Voor de rest heb ik een heel beperkt sociaal leven. Dat is mijn keuze.’
Vrouwen die deze keuze niet willen maken, laten de top vrijwillig aan hun neus voorbijgaan, zo lijkt het. Maar genderdeskundige Margreet van der Burg verzet zich tegen deze conclusie. Vrouwen willen wel, maar op een andere manier, meent zij. ‘De cultuur van de organisatie en de beeldvorming van het hoogleraarschap maken het moeilijk voor vrouwen om de functie te willen. Zij moeten bijna hartinfarcten op willen lopen. Het lijkt me terecht als ze zich in dit keurslijf niet goed zien functioneren.’ Wat Van der Burg betreft is dat echter niet het einde van het verhaal. ‘Er zijn vele vrouwen die experimenteren met de invulling van de functie en bijvoorbeeld helemaal niet fulltime zijn aangesteld. Ik ben ervan overtuigd dat een aangepaste, moderne invulling van universitaire functies, met ruimte voor een sociaal leven, de functie een stuk interessanter voor vrouwen kan maken.’

Re:ageer