Wetenschap - 1 januari 1970

Vroege aardappel is genetisch zwak

De vatbaarheid voor de gevreesde aardappelziekte fytoftora lijkt onafscheidelijk verbonden met de vroege afrijping van een aardappelras. Uit onderzoek van promovenda ir Marleen Visker blijkt dat beide eigenschappen waarschijnlijk door hetzelfde gen worden aangestuurd. Dit verklaart waarom het veredelaars maar niet lukt vroege aardappelrassen resistent te maken tegen de ziekte.

De Nederlandse aardappelrassen zijn in te delen in vroegrijpe (‘nieuwe aardappelen’) en laatrijpe aardappelen (bewaaraardappelen). Visker: ‘In de praktijk was al bekend dat vroege aardappelrassen een lager resistentieniveau tegen fytoftora bezitten dan late aardappelrassen. Omdat de prijs voor primeur aardappelen vaak hoger ligt, kan het voor telers toch lucratief zijn deze fytoftora-gevoeligere aardappelrassen te kweken. Zo wordt het aanbod van aardappelen ook beter over het seizoen gespreid. Een belangrijk nadeel is wel dat gevoelige rassen soms wel tien tot veertig bespuitingen met fungiciden nodig hebben om ziekte-uitbraken te voorkomen.’
In haar promotieonderzoek bij Plant Research International heeft Visker zich toegelegd op fysiologische en genetische achtergronden van de koppeling tussen afrijping en resistentie. Via genetische merkers heeft zij de genen in het genoom van de aardappel gelokaliseerd die beide eigenschappen aansturen. Het grootste genetische effect op beide eigenschappen bleek afkomstig van één plaats op chromosoom 5. Het lijkt er volgens Visker op dat één gen beide eigenschappen aanstuurt, want het lukte niet om de eigenschappen via kruisingen ‘uit elkaar te trekken’.
‘Op zich is dit een teleurstellend resultaat, want het betekent dat het eigenlijk onmogelijk is om door veredeling een vroege aardappel te verkrijgen met een hoog resistentieniveau’, zegt Visker. Er zijn nog wel enkele andere resistentiegenen beschikbaar, maar die hebben volgens haar een veel kleiner effect.
Een opmerkelijk bevinding in het onderzoek van Visker is dat de positie van een blad aan de plant bepalend is voor het resistentieniveau van het blad. ‘Elk nieuw gevormd blad is resistenter dan het voorgaande blad. De onderste bladeren van een plant zijn steeds vatbaarder dan bladeren aan de top’, aldus Visker. Een merkwaardig fenomeen omdat de bladeren genetisch natuurlijk identiek zijn. Het betekent wel dat oude planten, met relatief veel resistente bladeren, dus gemiddeld een hogere resistentie tegen aardappelziekte bezitten dan jonge planten. ‘Helaas waren vier jaar te kort om dit verschijnsel te verklaren of er mogelijke toepassingen voor te vinden’, constateert Visker. / GvM

Marleen Visker promoveert op vrijdag 11 maart bij prof. Paul Struik, hoogleraar Gewasfysiologie, en prof. Kees van Loon, hoogleraar Fytopathologie aan de Universiteit Utrecht.

Re:ageer