Wetenschap - 1 januari 1970

Vogelgriep komt dichterbij

Het is een herfstige en donkere woensdagavond. In het WICC belegt Studium Generale een bijeenkomst over het onderwerp dat al weken de kranten vult. ‘Turkije, Roemenië’, opent journalist Leo Klep de avond. ‘Het H5N1-virus passeert grens na grens. De vogelpest komt steeds dichterbij.’

Trekvogels als de kolgans zouden op dit moment wel eens de belangrijkste transporteurs van het gevreesde vogelgriepvirus H5N1 kunnen zijn. / foto Ruben Smit

‘Wat is er nou onschuldiger dan een goudhaantje?’, vraagt drs. Tom van der Have van de sectie Natuurbeheer zich retorisch af. ‘Een goudhaantje, dat hier helemaal uit Siberië naartoe komt vliegen om te overwinteren? Of een eendje?’ De bioloog pauzeert even en bedient de laptop die voor hem staat. Op het scherm achter hem ziet de zaal een foto van een uiteengereten vliegtuigwrak. ‘Het werk van wilde eenden, dames en heren’, zegt Van der Have. ‘Sinds 1975 zijn er vijf grote vliegtuigongelukken geweest, die het werk waren van wilde vogels.’
Van der Have is één van de Wageningse wetenschappers die de tientallen toehoorders op 19 oktober vertelt over zijn onderzoek naar de nieuwe vogelpest. Zijn punt: de natuur is niet onschuldig. De populatie wilde vogels vormt een reservoir waaruit telkens weer nieuwe virussen de mens en zijn huisdieren belagen. Van der Have verrichtte onlangs een risicoanalyse voor het ministerie van LNV over de kans dat trekvogels Nederland zouden besmetten met de vogelgriep. Die kans, moest de bioloog erkennen, was reëel. Klein misschien, maar wel degelijk reëel.
‘Goed, de vogelgriep heeft zich de afgelopen jaren in Azië verbreid zonder hulp van trekvogels’, zegt Van der Have. ‘De verspreiding van de vogelgriep was mensenwerk. Maar in de recente gevallen, waarin de pest aan de grenzen van Europa is gearriveerd, hebben trekvogels wel degelijk een belangrijke rol gespeeld. De plekken waar het virus nu opduikt liggen precies in de routes die de trekvogels volgen. Het tijdstip waarop het virus is opgedoken komt bovendien overeen met het tijdstip waarop de vogeltrek begint. Het klopt allemaal precies.’

‘Een sector gebaseerd op eenden zou minder kwetsbaar zijn geweest’

Kolganzen
Het zijn voor zover bekend vooral watervogels die het virus overbrengen, zegt de onderzoeker. Soorten als de kolgans, de smient en de kievit zouden op dit moment wel eens de belangrijkste transporteurs van H5N1 kunnen zijn. Toen landbouwminister Cees Veerman in de nazomer van 2005 voor de eerste keer besloot tot een ophokplicht voor kippen, reageerden sommige lidstaten lacherig. Onterecht, concludeert Van der Have. Het idee het gevreesde H5N1-virus kippen via trekvogels zou bereiken is helemaal niet zo onlogisch.
De kans dat dat ook werkelijk gebeurt is klein, zegt de veterinaire epidemioloog prof. Mart de Jong van de Animal Sciences Group. De Jong verzamelde tijdens de vogelpest van twee, drie jaar geleden de gegevens waarop hij zich nu baseert. ‘Harde aanwijzingen dat wilde vogels de ziekte twee jaar geleden hebben helpen verspreiden, hebben we niet’, zegt De Jong. ‘De kans dat trekvogels het virus hier brengen acht ik daarom klein. Maar goed, dat wil niet zeggen dat je er dan geen rekening mee moet houden. Daarvoor staat er teveel op het spel.’
Waarom De Jong kleine kansen niet wil negeren, verduidelijkt een kaart van Nederland, die hij op het scherm projecteert. In het hart van het land, de Gelderse Vallei, is de kleur felrood. In het zuiden, in de Peel, toont de kaart een minder uitgesproken rode vlek. ‘Als ergens in de rode gebieden op deze kaart het virus voet aan de grond krijgt, dan kunnen we niet voorkomen dat de rest van de rode gebieden ook besmet raakt’, zegt De Jong. ‘Het contact tussen de bedrijven is zo intensief, de dichtheid van de kippen zo hoog, dat als het virus hier op één bedrijf opduikt de hele vallei is afgeschreven. Dat is het gevolg van de hoge dichtheden in de sector. Daar zit het probleem. Daar moeten we op termijn iets aan gaan doen.’
Een uitbraak, zegt De Jong, zal de sector – die nog lang niet is hersteld van de vorige editie van de vogelpest – kapot maken. Daarom is hij voorstander van de ophokplicht. Net als alle andere aanwezigen.

Slappe kippen
Achteraf is het makkelijk praten, maar dat we ons nu zoveel zorgen maken over trekvogels komt omdat we een paar duizend jaar geleden gekozen hebben voor het verkeerde landbouwhuisdier. Als we geen kippen maar eenden waren gaan houden, vertelt clusterleider dr. Wim van der Poel van de Animal Sciences Group, dan hadden we nu niet zo in de rats gezeten over een paar trekvogels. ‘Het H5N1-virus waar we het nu over hebben kan vogels ziek maken en ze doden. Uit de cijfers blijkt dat bij epidemieën tien procent van wilde populaties kan sterven. Maar dat vogelvirussen wilde soorten uitroeien, is uitgesloten.’
Bij kippen is dat anders. Die zijn met hun slappe immuunsysteem geen partij voor het H5N1-virus.
Een sector die is gebaseerd op eenden in plaats van kippen zou minder kwetsbaar zijn geweest. Ook hadden we ons niet zoveel zorgen hoeven te maken over de kans dat wijzelf worden getroffen door een dodelijke pandemie. ‘Grote populaties kippen fungeren als een versterkende factor voor vogelvirussen’, zegt Van der Poel. ‘De virussen vermenigvuldigen zich, en gebruiken de kippenpopulatie als springplank naar mensen. Dat is bij de vorige vogelpest ook gebeurd.’
Dat virus was een H7N7-virus. Toen ruimers, dierenartsen, eigenaren van bedrijven of hun familieleden ziek werden toen het virus huishielden, weigerden ziekenhuizen samples van hun bloed te onderzoeken. Ze vonden het idee dat het vogelvirus kon overspringen op mensen kolder. Toch waren er zo’n zeventig gevallen van mensen, die klaagden over rode ogen en koorts. In hun bloed vond het laboratorium in Lelystad, dat wél bereid was de monsters te onderzoeken, het vogelvirus. Er viel één dode, een dierenarts.

Killer
Een echte killer was het virus dat de vogelpest van 2002 veroorzaakte uiteindelijk niet. Of het oprukkende H5N1-virus dat wel wordt, weet prof. Rob Goldbach van de leerstoelgroep Virologie natuurlijk niet. ‘In Vietnam heeft het virus zestig doden veroorzaakt, maar dat zegt niet zoveel. Wie waren die doden? Daar hebben we geen gegevens over. Hadden ze een afwijkend immuunsysteem? Gebruikten ze drugs? Hadden ze AIDS? Was er een bijzondere reden waardoor ze voor het virus een makkelijker prooi werden?’
Mensen hebben tenminste één goede reden om voor het H5N1-virus op hun hoede te zijn, vertelt de viroloog. Het menselijke immuunsysteem herkent het virus niet meer. Een ander H5N1-virus heeft tientallen jaren eerder epidemieën veroorzaakt, en iedereen die de besmetting overleefde resistent gemaakt. Hun immuunsysteem herkende alle andere virussen van het H5N1-type. Maar het immuunsysteem van iedereen die na de laatste epidemie is geboren, herkent het virus niet. Omdat er inmiddels weer generaties zijn opgegroeid die niet met een H5N1-virus in aanraking zijn gekomen, heeft het huidige vogelvirus dus vrij spel. In theorie. ‘Om van een virus een echte killer te maken is er meer nodig’, zegt Goldbach. ‘Het passeren van het immuunsysteem is maar één van de vele hobbels die een virus moet nemen. Het virus moet zich bijvoorbeeld ook in de cellen van zijn gastheer kunnen repliceren, om maar iets te noemen. Of dit virus zich makkelijk in menselijke cellen vermenigvuldigt weten we niet.’
Virologen vermoeden dat vogelvirussen zulke eigenschappen ontwikkelen als ze een menselijke cel infecteren waarin zich ook een ander virus bevindt dat die problemen al heeft opgelost. Dan kan het vogelvirus stukjes erfelijk materiaal van het aangepaste virus overnemen en veranderen in een pathogeen dat dodelijke slachtoffers maakt. Goldbach schat de kans dat de vogelpest zich ontpopt als een bedreiging voor de mens echter gering in. De doemscenario’s waarin het H5N1-virus net zo’n pandemie veroorzaakt als de Spaanse Griep van 1918, missen vooralsnog grond.
Meer zorgen maakt Goldbach zich over de sector, en de richting waarin die zich ontwikkelt. ‘Ligt het aan mij, of is er steeds vaker sprake van uitbraken van dierziektes?’, vraagt hij zijn collega’s. ‘En worden die uitbraken niet steeds groter in omvang?’
Anders dan wilde dieren, die voortdurend blootstaan aan virussen zonder dat ze dreigen uit te sterven, leggen de dieren in de intensieve veehouderij massaal het loodje als er zich weer een pathogeen aandient. Misschien moeten ze meer in contact komen met de natuur, zodat hun immuunsysteem meer prikkels krijgt om zich te ontwikkelen. ‘Misschien moeten we gewoon af van het systeem van onze intensieve veehouderij’, zegt Goldbach.

Mediacircus
Goldbachs opmerkingen zijn tegen het zere been van de andere panelleden, die zich haasten om het ongelijk van de viroloog aan te tonen.
‘Ach, de hygiënehypothese’, zegt Van der Poel, de clusterleider van de Animal Sciences Group. ‘Daarvoor hebben we nooit bewijs kunnen vinden.’ Biologische kippen, die toch vaker buiten lopen, zijn helemaal niet beter opgewassen tegen infecties dan de gangbaar gehouden kippen, blijkt uit zijn studies.
Epidemioloog Mart de Jong denkt dat er helemaal geen toename van het aantal epidemieën is. ‘Je hebt altijd al uitbraken gehad, alleen hoorde je er vroeger niets over. Een uitbraak van mond-en-klauwzeer was een probleem voor dierenartsen en boeren. Nu maken de journalisten en de media er een circus van.’
De Jong krijgt bijval van prof. Elsbeth Stassen, gespecialiseerd in mens-dierrelaties. ‘Het platteland is de laatste tientallen jaren geleidelijk geïnfiltreerd door stedelingen’, relativeert de hoogleraar. ‘Die hebben andere ideeën over dierenwelzijn. Daarom berichten de media er tegenwoordig zoveel over.’

Willem Koert

Re:ageer