Wetenschap - 29 augustus 2019

Voedseltransitie WUR: ‘Stel het landbouwregime ter discussie’

tekst:
Albert Sikkema

De transitie naar kringlooplandbouw vraagt niet alleen om veranderingen bij boeren en consumenten, maar ook bij WUR, stelde Michel Berkelmans in Resource. Maar welke? WUR moet zich verbinden aan andere praktijken in andere praktijkomgevingen, zegt Derk Loorbach, hoogleraar Sociaal-economische transities. Vandaag deel 4 in de serie over voedseltransities.

©Shutterstock en Drift, Erasmus Universiteit

Loorbach, hoogleraar Sociaal-economische transities aan de Erasmus Universiteit: ‘We zien dat het oude landbouwregime, dat in de naoorlogse periode is opgebouwd en zoveel succes heeft gebracht, steeds meer een probleem wordt. Zie de recente klimaatrapporten, het afschieten van het stikstofbeleid door de Raad van State en de rapporten over afnemende biodiversiteit. Dit landbouwregime is sterk, maar onderzoekers, boeren en actievoerders hebben de afgelopen decennia alternatieven voor dat regime verzonnen. Kleinschalige niches op het gebied van biologische landbouw, stadslandbouw, natuurlandbouw en een veganistisch dieet. Dat was de eerste fase van het transitieproces. We komen nu in de tweede fase, waarin die niches zich verspreiden en verbonden raken en de maatschappelijke druk op het oude systeem verder toeneemt.’

Wat betekent dat voor WUR?

‘Nu wordt het spannend; kan WUR een rol spelen in de versnelling? Veel onderzoekers werken nog aan het verbeteren van het bestaande regime. Een mooi voorbeeld daarvan noemde Katrien Termeer afgelopen jaar. Je hebt grootschalige kippenstallen. Ten behoeve van dierenwelzijn hef je de legbatterij op. Je krijgt volière-systemen, maar die stallen zorgen voor fijnstof. Om dat stof weg te vangen, komen er luchtwassers. Maar die luchtwassers zorgen op hun beurt voor meer stalbranden. Je lost het ene probleem op binnen het huidige regime en het andere dient zich aan. De grote vraag nu wordt: hebben onderzoekers het vermogen om dit regime ter discussie stellen in conferenties en vakbladen, en op zoek te gaan naar alternatieven?’

Welke alternatieven denk je aan?

‘We kunnen als Nederland trots zijn op de intensieve voedselproductie, maar meer onderzoek naar opbrengstverhoging en efficiëntieverbetering heeft geen meerwaarde meer. In plaats daarvan moeten we 80% van onze energie en geld zetten op een agro-economie die goed is voor mens en milieu. Praktisch betekent dat: meer onderzoek naar natuurinclusieve landbouw en true pricing van voedingsmiddelen, gedragsverandering bij consumenten, dierenwelzijn wellicht anders inzetten en alternatieven ontwikkelen voor bestrijdingsmiddelen.’

Hoe organiseer je deze alternatieven?

‘Veel van de maatschappelijke winst zit niet in de voedselsector, maar in andere sectoren. Een voorbeeld: in het huidige regime hebben consumenten geen verbinding met het voedsel en de boer. Een interessante niche is om voedsel dichter bij consumenten te produceren – zie concepten als stadslandbouw, voedselcoöperaties en korte ketens. Wil je hier als onderzoeker aan werken, dan moet je gaan werken met nieuwe kennispartners en ondernemers. Je moet je verbinden aan andere praktijken in andere praktijkomgevingen. Het mooie van Wageningen is: ze heeft een traditie in integraal en praktijkgericht werken vanuit een maatschappelijk doel.’

WUR moet ook afscheid nemen van bestaande structuren?

‘Zeker. Soms is het noodgedwongen. Neem de uitspraak van de Raad van State dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet langer als toestemmingsbasis mag worden gebruikt voor vergunning van bouwplannen. Ik vind deze uitspraak een positieve trigger voor beleidsaanpassing. En we moeten afscheid nemen van de topsectoren, want in de topsectoren krijgt het onderzoek alleen geld als bedrijven 50% mee financieren. Dat is een remmend mechanisme voor vernieuwend onderzoek en de voedseltransitie.’

‘WUR heeft de neiging zich te positioneren als kennisinstituut dat vanuit een neutrale positie kennis aanlevert. Wat mij betreft mag WUR vaker een normatieve positie innemen, door uit te dragen welke kant het op moet in de voedseltransitie, zonder lobbyist te zijn voor specifieke oplossingen. Zo van: ik vind dat we goedkoop voedsel waar de boer niet van kan leven, moeten uitsluiten. En ik vind dat we voedselsystemen die de biodiversiteit aantasten, moeten uitsluiten. Je stelt scherpe maatschappelijke eisen en werkt aan een nieuw regime, waarin het voedsel nog steeds slim en efficiënt wordt geproduceerd. Want optimaliseren is niet fout, hé.’

lees ook