Wetenschap - 24 november 2014

Voedseltekort nekt wilde bijen

tekst:
Roelof Kleis
4

Wilde bijen hebben in ons land te weinig te eten. Dat is de belangrijkste oorzaak voor hun sterke afname in aantal, blijkt uit onderzoek van promovendus Jeroen Scheper.

Sinds halverwege de vorige eeuw is het Nederlandse platteland sterk veranderd. De steeds intensievere manier van landbouw heeft forse sporen nagelaten. In een eeuw tijd is het areaal typisch bijenlandschap tachtig procent afgenomen. Het ligt dus voor de hand dat gebrek aan eten de 357 (!) bekende soorten wilde bijen heeft genekt. Promovendus Jeroen Scheper toont dat nu op een ingenieuze manier aan.

Scheper dook daarvoor onze natuurhistorische musea in. Hij schraapte van elke opgeprikte wilde bij die hij kon vinden het stuifmeel van het lijf. Aan de hand van het stuifmeel werd het voorkeursmenu van elke bij vastgesteld. ‘De aanname daarbij is dat voor 1950 hun menukaart nog vol was’, legt Scheper uit. ‘Dat er toen nog geen gebrek was aan het juiste voedsel.’ Verspreid over een paar jaar zat Scheper maandenlang gebogen over de collecties van Leiden, Amsterdam, Wageningen, Leeuwarden, Rotterdam, Tilburg en Brussel. Een monnikenwerk.

Het voorkeursmenu van de meeste bijen is in de tweede helft van de vorige eeuw steeds minder beschikbaar geworden. Scheper koppelde met een berekening die teruglopende beschikbaarheid van het ideale menu aan de mate van achteruitgang van het aantal bijen. Het verband tussen beide blijkt overduidelijk. De gebreken in het menu verklaren bijna de helft van de variatie in het aantal bijen van een bepaalde soort. Scheper: ‘Voor dit soort onderzoek is dat verrassend veel. Het is mooi dat dit er zo uitkomt.’

Grotere bijen hebben meer voedsel nodig en dat weegt kennelijk niet op tegen het fourageer-voordeel
Jeroen Scheper

Uit de studie blijkt dat vooral bijen het moeilijk hebben die fourageren op vlinderbloemigen zoals klavers. Die doen het volgens Scheper relatief slechter. Bijen die vliegen op soorten uit de rozenfamilie (appel, aardbei, peer, pruim) zijn juist toegenomen. ‘Dat is in principe goed nieuws, want het betekent dat we ons niet direct zorgen hoeven te maken over de bestuiving van de gewassen binnen deze familie. Let wel, dit is een landelijke trend. De individuele appelteler moet die bijensoort dan wel in zijn boomgaard hebben.

Los van het menu blijkt ook de afmeting van de bijen een rol te spelen. Hoe groter de bij, hoe sterker de afname van de populatie. Op het eerste gezicht lijkt dat vreemd.  Scheper:  ‘Je zou verwachten dat het precies andersom is. Grote bijen kunnen verder vliegen en bestrijken dus een groter gebied om te fourageren. Maar ze doen het dus juist niet beter. Grotere bijen hebben ook meer voedsel nodig. En dat weegt kennelijk niet op tegen het fourageer-voordeel.’      

Kennis van het ideale menu biedt houvast voor te nemen maatregelen. Door gericht te planten, kun je het soorten die het moeilijk hebben naar de zin maken. Daarnaast is het volgens Scheper belangrijk om te zorgen dat er het hele seizoen voldoende te eten is. ‘In het voorjaar zie je dat de velden nog vol bloemen staan. Maar in mei begint het maaien en vanaf halverwege juni is het aanbod mager. Bijen hebben het dan hard te halen.’

 

  

Re:acties 4


Re:ageer