Wetenschap - 1 januari 1970

Voedingsindustrie heeft universiteit nodig als geloofwaardige getuige

Voedingsindustrie heeft universiteit nodig als geloofwaardige getuige

Voedingsindustrie heeft universiteit nodig als geloofwaardige getuige

Volgens prof. dr Martijn Katan houdt het voedingsonderzoek grote beloften in voor de industrie en de consument. Het poogt immers voedingsmiddelen te ontwikkelen met stoffen die actief ziekteprocessen voorkomen. Dat kan echter mislopen, als de consument zijn vertrouwen in gezondheidsvoedsel verliest door voorbarige claims van de industrie. Belangrijk voor het welslagen is de relatie tussen universiteit en industrie. De optimale relatie is een relatie waar spanning op staat, aldus de hoogleraar


De weg naar prof. Martijn Katans werkkamer leidt door een chemisch lab van de leerstoelgroep Humane voeding. Daarmee verraadt hij zijn afkomst uit de biochemische hoek. Jarenlang werkte hij als universitair hoofddocent bij Humane voeding. Inmiddels is hij bij deze leerstoelgroep persoonlijk hoogleraar, en themaleider Voeding en Gezondheid bij het technologisch topinstituut Voedselwetenschappen. Op 28 januari hield hij zijn inaugurele rede

Volgens Katan belooft de toekomst veel voor stoffen uit planten die ziekteprocessen voorkomen. Epidemiologisch onderzoek wijst voeding aan als een van de verklaringen voor verschillen tussen bevolkingsgroepen in het voorkomen van ziekten. Voeding bevat dus vermoedelijk werkzame stoffen

Wat voeding kan doen voor de volksgezondheid laat de hoogleraar zien met een voorbeeld uit de eigen praktijk. Tien jaar geleden ontdekte Ronald Mensink, een van zijn promovendi, dat transvetzuren slecht zijn voor het serum cholesterol. De Nederlandse margarine-industrie heeft sindsdien de transvetzuren grotendeels vervangen door gezondere vetzuren. De schatting is dat dit bij de gemiddelde Nederlander leidde tot een daling van het slechte-cholesterolgehalte met oon procent, en een stijging van het goede-cholesterolgehalte met een half procent. Het aantal hartinfarcten daalde hierdoor met naar schatting 1000 tot 1750 per jaar. Ook het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu vond een daling van het cholesterolgehalte in de periode 22592- 22597, en schreef dit toe aan de verminderde consumptie van verzadigde en van transvetzuren. Je kunt dus met voeding ziekten voorkomen, concludeert Katan, en de levensmiddelenindustrie speelt daar een belangrijke rol in.

Tegelijk betreurt Katan alle onbewezen of voorbarige beloftes over gezonde voedingsmiddelen. Deze ondermijnen immers het vertrouwen van de consument. Neem de yoghurts die dankzij een bepaalde bacterie cholesterolverlagend zouden zijn, een voorbeeld van een product dat naar zijn mening te vroeg op de markt is gebracht. Zelf konden wij in recent onderzoek geen effect vinden van bacteriƫn uit yoghurt op het cholesterolgehalte, maar verder onderzoek kan best een yoghurt opleveren die het goed doet.

Het gevaar van te vroege of slecht onderbouwde claims is dat de consument afhaakt. Of dat de overheid zegt Dit wordt ons te grijs, en strengere eisen oplegt. In de VS, die met gezondheidsvoedsel jaren op ons voor lopen, merk je een toenemend cynisme bij de consument over gezonde voeding omdat je overal kanker van krijgt en tegelijk ieder product zegt gezond te zijn.

Volgens Katan heeft de industrie daarom de universiteit nodig als geloofwaardige getuige. Als die rol in de nieuwe, hechtere relaties tussen de industrie en de universiteit onder druk zou komen te staan, is dat nadelig voor iedereen. Beide moeten staan voor hun eigen principes, en het is belangrijk dat beide zijden daarvan overtuigd zijn. Ik hoop dat in de gesprekken tussen de industrie en de universiteit normen ontstaan waarin beider belang verankerd ligt. Ik hoop dat daarbij binnen de industrie ook aan de langere termijn wordt gedacht. Dat is niet eenvoudig, want er moet in de hectische voedingsmiddelenmarkt op steeds kortere termijn gescoord worden.

Natuurlijk blijven er dilemma's, omdat belangen niet altijd met elkaar stroken. Ik weet dat er soms spanningen leven bij onderzoekers die in opdracht van de industrie onderzoek doen en resultaten vinden die niet gewenst zijn. Ze stellen zich de vraag hoe het verder moet met de financiering van het vervolgonderzoek als de ongewenste resultaten worden gepubliceerd.

In deze belangenstrijd moeten de onderzoekers positie kiezen, vindt Katan. Hij pleit met name voor de absolute vrijheid van publicatie. Dat betekent dat industrieel onderzoek zonder vertraging moet worden gepubliceerd, ongeacht de uitkomst. Dat staat patentering van interessante vindingen niet in de weg: patenten kunnen worden aangevraagd in de periode dat het manuscript het beoordelingscicuit van een tijdschrift doorloopt. Ook bepleit hij dat de onderzoeker het laatste woord krijgt in de verwoording van resultaten. Natuurlijk moet een sponsor alle gelegenheid krijgen zijn interpretatie te geven, maar bij een verschil van mening weegt de universitaire onafhankelijkheid het zwaarst. Ook dienen negatieve resultaten te worden gepubliceerd omdat anders de literatuur een vertekend beeld gaat opleveren

Ik denk dat er, voor een optimaal resultaat, spanning moet staan op de relatie tussen een universiteit en het bedrijfsleven, meent Katan. Het is als een hangbrug waar geen van de twee pijlers moet buigen, want dankzij die spanning houden ze de brug in de lucht. Dat merk ik binnen het topinstituut, waar bedrijfsleven en onderzoeksinstituten gezamenlijk de onderzoeksprogramma's ontwikkelen. Binnen dat krachtenveld ontstaat er ruimte voor goed langetermijnonderzoek. M.Ha

De boer bepaalt niet meer wat er gegeten moet worden. De consument wordt steeds belangrijker. Je moet dus meer naar de markt en de maatschappij kijken om te bepalen wat er geproduceerd moet worden. Peilen wat er leeft. Dan constateer je dat er veranderingen optreden in consumptiepatronen. De grens vervaagt tussen functionele voeding en gezondmakende voeding, zeg maar voeding als geneesmiddel. Bij het project Massa-individualisering bekeken we hoe ondernemingen zich proberen aan te passen aan de snel veranderende behoeften.

Eerst hebben we een literatuuronderzoek gedaan. Wat betekent individualisering van de vraag? Je hebt het dan over opdelen van productielijnen en samenwerking binnen ketens. Daarna zijn we het veld in gegaan. We hebben ondernemers en onderzoekers gevraagd hoe ze erover denken en wat de stand van zaken is. Dan blijkt dat het idee van het vraaggestuurd ondernemen al is doorgedrongen bij ondernemers. Ze handelen er ook al naar. Productielijnen zijn eraan aangepast, evenals de personeelsorganisatie. De organisatie is niet hiƫrarchisch, de verantwoordelijkheid ligt zo veel mogelijk op de werkplek. Zo kan het contact met de klant ontstaan en kun je van elkaar leren. Ook de service en de nazorg blijken heel belangrijk te zijn, en ook klantkaarten. Voor een onderneming moeten dus niet alleen het transport en de logistiek goed zijn, maar ook de communicatie.

:Project Massa-individualisering

Instituut Landbouw-Economisch Instituut in Den Haag

Projectleider Hans Dagevos, 34 jaar

Budget zestigduizend gulden

Looptijd half jaar

Financiers Agro Keten Kennis, Nederlandse Raad voor Landbouwkundig Onderzoek, afdeling Industrie en Handel van LNV

Partners Kees Bruijn, consultant

Re:ageer