Wetenschap - 1 januari 1970

Vissers krijgen nog te weinig stem

Dat de vissers in Europa meer invloed moeten krijgen op het visserijbeleid voor de Europese wateren was tien jaar geleden al bedacht. Dat is nodig om draagvlak voor het beleid te krijgen. Toch kwam het niet echt van de grond. Voor de realisering van die invloed moet elk land zijn eigen aanpak kunnen ontwikkelen. Dat is kortweg de conclusie van een grootschalig onderzoek van universiteiten en onderzoeksinstellingen uit zes Europese landen, waaronder het Landbouw Economisch Instituut (LEI) van Wageningen UR.

Het lijkt zo eenvoudig: als je de zee leegvist kan niemand er meer aan verdienen, dus moeten we er afspraken over maken. Achter deze eenvoud schuilt echter een wereld van regeltjes en beleidsanalyses. Zo stelt de Europese Raad van Ministers een maximaal toelaatbare visvangst op, op basis van advies van marine biologen over de visstand. De verschillende landen kunnen die quota onderling ruilen, en ieder land heeft een eigen systeem om de landelijke quota te verdelen over de vissers.
Zo’n tien jaar geleden werd op verzoek van de Europese Commissie al een onderzoek gedaan naar het decentraliseren van de verantwoordelijkheid voor visserijbeheer naar lagere overheden en vissers. Ook toen al was het idee dat wanneer de vissers verantwoordelijkheid hebben bij het vaststellen van het visserijbeheer, ze zich ook aan de regels zullen houden, en er minder werk hoeft te worden gestoken in de controle van het beleid. Uit dat onderzoek kwam een algemene aanbeveling voor alle landen: decentraliseer het visserijbeheer, bijvoorbeeld door het instellen van regionale commissies waarin vissers samen met andere belanghebbenden meepraten over beleid. Maar dat heeft niet gewerkt, omdat de institutionele en politieke omstandigheden tussen de landen zoveel verschillen, legt ir. Luc van Hoof uit, projectleider van het LEI voor het onderzoek.
Spaanse, Franse, Engelse, Deense, Noorse en Nederlandse onderzoekers hebben daarom de afgelopen drie jaar in nieuw Europees onderzoek juist naar de verschillen tussen deze zes landen gekeken. Ze onderzochten hoe de vissers meer betrokken kunnen worden bij de manier waarop vastgesteld wordt hoeveel vis er gevangen mag worden en hoe je ze kunt laten meepraten over de controle daarop en de maatregelen voor het visstandbeheer die je kan treffen. Ze keken daarbij per land naar de zogenaamde maatstaven van goed bestuur: openheid, participatie, verantwoording, effectiviteit en samenhang. In Nederland bijvoorbeeld zijn vertegenwoordigers van vissers, visverwerkers, de overheid en milieuorganisaties samen betrokken in structureel overleg over visserijbeheer. Dat heet co-management. In Engeland is van die ordening geen sprake. De vissers daar voeren wel een krachtige en succesvolle lobby richting beleidsmakers, maar hebben formeel geen inspraak.
In Spanje hebben lokale overheden en organisaties van vissers in vissersgilden juist veel invloed. Het beleid is er als gevolg daarvan heel anders voor de Middellandse Zee dan voor de Atlantische Oceaan. In Frankrijk is, net als in Spanje, niet duidelijk wie precies verantwoordelijk is voor het beleid. En in Noorwegen en Denemarken bestaan adviesraden die beslissen over de quota, maar die zijn niet verantwoordelijk voor de naleving ervan.
Ook de effectiviteit van het beleid verschilt naar gelang de lokale situatie. De Noren zijn het bijvoorbeeld roerend eens geworden met de Russen over de Barentszee: de vissers moeten er alle ruimte krijgen. ‘Beleid is niet in overeenstemming met wetenschappelijke vangstadviezen’, zegt het rapport hierover. Met andere woorden, zegt Hoof, de Barentszee wordt met beider instemming leeggevist. In Nederland proberen vissers zich wel aan het quotum te houden en toch zo veel mogelijk te verdienen. Bijvoorbeeld door het overboord zetten van ondermaatse vis en vangsten zonder commerciële waarde. Maar het kan ook zo zijn dat vissers vangsten van commerciële vissoorten weer terugzetten om meer te mogen vangen van vissen die meer opbrengen per kilo. In Spanje bestaan zoveel verschillende vissersgilden en gemeenten die elk hun eigen regels hebben, dat er veel vertraging in beleid bestaat.
Van Hoof legt nog een aantal knelpunten van de inspraak bloot: de zaak is zo ingewikkeld geworden dat een gewone visser het niet meer kan volgen. Participatie van belanghebbenden, zoals het in beleid heet, is dus eigenlijk alleen mogelijk via belangenorganisaties. Maar de afstand tussen de leden van die organisaties en de professionals die het beleid volgen wordt te groot. Van Hoof: ‘De beleidsmakers vertellen een ander verhaal dan je maten in de haven.’
De conclusie van het onderzoek is een open deur: er is geen eenduidige oplossing te geven voor alle landen. Vissers, visverwerkers en milieuorganisaties moeten wel meer betrokken worden bij het beleid, om het beleid meer legitimiteit te geven. ‘Participatie’, zegt Van Hoof, ‘gaat vooral om het betrekken van mensen bij de definiëring van het probleem. Anders worden er oplossingen gevonden voor het verkeerde probleem.’ Omdat die participatie in elk land op een andere manier georganiseerd moet worden, moet beleid, en de vorm daarvan, gedecentraliseerd worden. Vissers willen ook meer te zeggen krijgen, blijkt uit het onderzoek. Maar ze zijn ook bang dat inspraak en openheid tot meer conflicten leidt. Logisch, zegt Van Hoof: uiteindelijk moet een op de vijf vissers verdwijnen om binnen de quota toch levensvatbare bedrijven over te houden.

Joris Tielens

Re:ageer