Wetenschap - 4 oktober 2001

Vis kan profiteren van graafwerk langs Rijn

Vis kan profiteren van graafwerk langs Rijn

Het uitgraven van uiterwaarden van de Rijn om overstromingen te voorkomen, kan voordelig zijn voor de vispopulaties, meent promovendus ir. Rob Grift. De nieuw aan te leggen nevengeulen moeten dan wel in permanente verbinding komen te staan met de hoofdstroom van de rivier.

In de nevengeulen is de stroming minder sterk en er is meer voedsel aanwezig dan in de hoofdstroom van de rivier. Een geschikte plek voor vissen kunnen die er een deel van het jaar doorbrengen om te paaien of verder op te groeien. De visserijbioloog verrichtte veldonderzoek in 25 wateren in de uiterwaarden van de Waal. Hier bemonsterde hij de hoeveelheid vis in nieuw aangelegde nevengeulen, aangetakte voormalige rivierarmen en in ge?soleerde rivierplassen zoals kleiputten.

In de Rijn maken drie tot vier jaar na de opening van de nevengeulen en oude rivierarmen dertig van de 47 in de rivier zwemmende vissoorten gebruik van de geulen. Van 23 soorten zijn tevens jonge exemplaren aangetroffen. Volgens Grift gebruiken soorten als de barbeel, kopvoorn en serpeling de nevengeulen en oude rivierarmen als opgroeigebied. Deze soorten paaien waarschijnlijk op grindbanken in Duitsland, de larven zweven naar Nederland en de jonge vis groeit op in de uiterwaarden. Ander soorten zoals de brasem en snoekbaars gebruiken de uiterwaarden als paaigebied.

Nu de uiterwaarden van de Rijn op verschillende plekken worden uitgegraven om de rivier meer ruimte te geven, is het volgens Grift zaak om tegelijkertijd de omstandigheden voor vissen te verbeteren. Naast het realiseren van aangetakte wateren, is het van belang om flauwe oevers te cre?ren naast de nevengeulen, waar planten kunnen groeien die een belangrijke schuilplaats zijn voor jonge vissen. | H.B.

Grift promoveert op 5 oktober bij prof. dr. Bram Huisman, emeritus hoogleraar in de Visteelt en Visserij.

Re:ageer