Organisatie - 6 december 2007

Veterinaire instituten weer samen

Na een gedwongen scheiding van zes jaar sluiten de divisie Infectieziekten van de Animal Sciences Group en het Centraal Instituut voor DierziekteControle elkaar weer in de armen. De liefde blijkt sterker dan de politieke wens om de scheiding te handhaven.

102_achtergrond0.jpg
Het Centraal Instituut voor Dierziektecontrole (CIDC) en de divisie Infectieziekten van de Animal Sciences Group (ASG), beide gevestigd in Lelystad, gaan in januari samen op in het Centraal Veterinair Instituut (CVI) van Wageningen UR. Dit nieuwe instituut met 250 medewerkers legt zich vooral toe op de wettelijke onderzoekstaken, maar krijgt ook de ruimte om privaat onderzoek te doen. Hiermee wordt de splitsing van januari 2002, toen CIDC door de overheid apart werd gezet, ongedaan gemaakt.
In het buitenland viel het niet uit te leggen dat er in Nederland twee veterinaire instituten zijn. Dr. Andre Bianchi, de huidige directeur van CIDC-Lelystad en beoogd directeur van het CVI, herhaalt het een aantal keren. Alle omliggende landen hebben maar één diergeneeskundig instituut. Hij heeft de vraag meermalen gehoord: ‘Waarom moet zo’n klein onbenullig landje dat weer anders doen?’
Daar was ooit wel een reden voor. In 1999 speelde de zogenoemde slijtersaffaire. Koeien ‘versleten’ veel sneller dan normaal en werden als ‘slijters’ afgevoerd. Veehouders zagen dat hun vee ziek werd nadat de dieren waren gevaccineerd tegen koeiengriep (IBR). De oorzaak was een vaccin van farmaceut Bayer, dat in een aantal gevallen besmet was met een ander virus.
Bayer maakte gebruik van een vaccin waarvan het prototype was ontwikkeld bij ID-Lelystad, het DLO-instituut voor Dierhouderij en Diergezondheid dat ook voor de overheid wettelijke onderzoekstaken verrichtte. En daar begon de schoen te knellen. ID-Lelystad onderzocht aan de ene kant het probleem dat mogelijk was ontstaan door de IBR-vaccinatie, terwijl het instituut aan de andere kant commerciële belangen had bij het gebruikte vaccin.

Kamermotie
In reactie op de affaire eiste de Tweede Kamer een strikte scheiding tussen de commerciële belangen en de wettelijke taken van ID-Lelystad. De motie van Harm Evert Waalkens (PvdA) werd in mei 2000 met algemene stemmen aangenomen.
De rol van ID-Lelystad in de slijtersaffaire werd vervolgens onderzocht door dr. Johan Peeters van het Brusselse Centrum voor Onderzoek in Diergeneeskunde en Agrochemie, prof. Ab Osterhaus van de Erasmus Universiteit en prof. Maria Horzinek van de Faculteit Diergeneeskunde in Utrecht. De drie externe wetenschappers concludeerden eind 2000 dat ‘de wetenschappelijke integriteit en onafhankelijkheid van ID-Lelystad (...) boven elke twijfel verheven is.’
Desalniettemin creëerde toenmalig directeur Hans de Vries van ID-Lelystad de politiek afgedwongen strikte scheiding door de wettelijke onderzoekstaken onder te brengen in een aparte divisie.
Ruim een jaar later werd die scheiding nog verder doorgezet. Voedselveiligheid, volksgezondheid en diergezondheid kwamen in het brandpunt van de maatschappelijke en politieke belangstelling. Het ministerie trachtte de controle te verstevigen. Het Centraal Instituut voor DierziekteControle was geboren. ‘Je kunt je achteraf afvragen of de afsplitsing van CIDC niet een stap te ver is geweest’, zegt Bianchi nu.
Die vraag was eigenlijk al aan de orde in 2003, toen prof. Ruud Huirne de leiding overnam van prof. Hans de Vries bij ID-Lelystad. ID-Lelystad werd Animal Sciences Group en binnen ASG vormde de divisie Infectieziekten een relatief kleine eenheid met zo’n tachtig mensen. Bianchi: ‘Ruud Huirne vroeg zich af of de toekomst van de divisie Infectieziekten met zo’n omvang nog wel geborgd was.’

Vogelgriep en blauwtong
CIDC-Lelystad kreeg te maken met nieuwe ziekte-uitbraken: vogelgriep in 2003 en blauwtong in 2006. Dergelijke crises brengen niet alleen veel werk met zich mee, maar leveren ook een schat aan kennis, ervaring en materiaal op. Het bleek in de praktijk lastig al die informatie binnen de organisatie snel en eenvoudig beschikbaar te maken voor de divisie Infectieziekten. Bianchi: ‘Natuurlijk praten de onderzoekers wel met elkaar, maar als je even wat extra mensen wilt inzetten op het onderzoek naar een vaccin dan was dat moeilijk te organiseren.’
In het buitenland kwamen CIDC en de divisie Infectieziekten van ASG elkaar ook tegen. Bij Europese onderzoeksprojecten waren beide instituten betrokken. ‘En dat leverde altijd wel weer de discussie op over de vraag waarom er uit Nederland twee instituten bij betrokken waren’, zegt Bianchi. ‘Aan de andere kant werd die dubbele inbreng ook wel weer gewaardeerd.’
De samenvoeging van de twee veterinaire instituten ligt voor de hand. Maar je zou zelfs nog verder kunnen gaan, zegt Harm Evert Waalkens. Het PvdA-Kamerlid dat ooit het initiatief nam tot de splitsing vindt dat het te overwegen is om het Centraal Veterinair Instituut te laten samengaan met het Centrum voor Infectieziektenbestrijding (CIB) bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. ‘Dat is een mogelijk volgende stap. Het monitoren van infectieziekten wordt steeds belangrijker, ook gezien de klimaatveranderingen’, zegt Waalkens.
Samengaan met het op humane ziektes gerichte CIB lijkt Bianchi echter een stap te ver. ‘Samenwerking ja, maar in samenvoeging zie ik geen voordelen.’ Bianchi meent dat samenvoeging met het CIB onlogisch is vanwege de grote verschillen tussen de aanpak van veeziekten en ziekten bij de mens. Daarbij komt dat de vraag naar nieuwe producten vanuit de farmaceutische industrie heel anders is dan die uit de veterinaire sector. De veterinaire sector is gericht op een efficiënt en goedkoop product dat past binnen de economische bedrijfsvoering in de dierhouderij. In de humane gezondheidszorg is het streven veel meer gericht op een product dat een kwaal zo goed mogelijk aanpakt, los van de kosten.
Het blijft voorlopig bij het samenvoegen van de twee veterinaire instituten, waarvoor in het buitenland zo weinig begrip was. Maar begrepen ze het in Lelystad wel? ‘Door de crises met BSE, mond- en klauwzeer en vogelgriep hadden we niet zoveel tijd voor dat soort bespiegelingen’, zegt Bianchi. ‘Maar we zagen wel dat we erg in de uitvoering bezig waren. De onderzoeksvragen kwamen pas aan de orde als de crises afgelopen waren.’ Betekent dat men het in Lelystad zelf eigenlijk eens was met het buitenland, dat zo’n splitsing niet viel uit te leggen? ‘Voor de onderzoekers geldt dat zeker’, zegt Bianchi.

Geen financiële noodzaak
In 2006 was het CIDC onderwerp van een wetenschappelijke visitatie. De internationale commissie kwam tot de conclusie dat het instituut nogal klein was om alle taken goed te vervullen. Dat onderzoek was, samen met een brede inventarisatie van de veterinaire infrastructuur in Nederland, aanleiding voor Wageningen UR om nog eens goed te kijken naar de twee instituten.
Bianchi voegt er nadrukkelijk aan toe: ‘CIDC en de divisie Infectieziekten hebben nooit in de min gedraaid. Er is dus geen enkele financiële noodzaak. Het gaat hier écht om de synergie op inhoud. We kunnen meer bieden als we bij elkaar zitten.’ De fusie betekent in feite dat overtollige overhead wordt omgezet in extra onderzoek. De nieuwe organisatie wordt flexibeler en kan de verworven kennis beter benutten, meent Bianchi.
Dat had ook bedacht kunnen worden toen de twee organisaties uit elkaar werden getrokken, ‘maar toen was het sentiment anders door de slijtersproblematiek. We hadden de schijn van belangenverstrengeling tegen, die zich de facto niet heeft voorgedaan.’
Nieuwe gevallen van schijnbare belangenverstrengeling meent de beoogd directeur van het nieuwe instituut te kunnen voorkomen door strikte afspraken met de overheid. De wettelijke taken van het CVI worden ondergebracht in aparte onderzoeksprogramma’s, en de medewerkers die daarbij betrokken zijn mogen zich niet bezig houden met commercieel onderzoek. Bovendien wordt jaarlijks een externe beoordeling gedaan naar de scheiding van de private en wettelijke onderzoekstaken.
De kennis van de twee groepen onderzoekers – wettelijke taken en commercieel onderzoek - komt bij elkaar bij het beleidsondersteunend onderzoek, waaraan alle medewerkers van het nieuwe CVI kunnen bijdragen.
Tweede Kamerlid Waalkens, indiener van de motie die tot de afsplitsing van CIDC leidde, is verrast dat de Kamer niet betrokken is bij de totstandkoming van het CVI, maar begrijpt de argumenten achter de samenvoeging wel. ‘Ik kan me niet voorstellen dat ze in Lelystad nu de onafhankelijkheid weer in het geding brengen, want we hebben destijds bewust een aantal zaken uit elkaar gehaald. Ik hecht sterk aan onafhankelijkheid. Maar we moeten er ook voor zorgen dat het instituut zo veel mogelijk uit de klauwen van de beleidsmakers op het ministerie blijft.’

Re:ageer