Student - 15 mei 2008

Verwende boeren in Ghana

Op de vraag of ze ook Grenzeloos Verliefd is geworden tijdens haar stage in Ghana, moet Floor Veer hard lachen. Wel moest de studente Rural Development & Innovation aan Van Hall Larenstein in Wageningen regelmatig huwelijksaanzoeken afwijzen. Ze liep stage bij een pilotproject voor biologische cacaoteelt, en ontdekte dat wieden volgens Ghanese boeren een overheidstaak is.

nieuws_2178.jpg
‘Het eerste dat opvalt in Ghana is de armoede. Mensen beseften dat zelf niet, tot de hulporganisaties kwamen. Soms denk ik dat wij de problemen hebben gecreëerd. Nu heeft iedereen een televisie en een mobiel, maar de kinderen gaan niet naar de middelbare school. In een paar dorpen waar ik werkte, is geen elektriciteit. Dus moeten mensen naar de stad om hun telefoon op te laden.
De vraag naar biologische cacao groeit, en Ghana levert de hoogste kwaliteit cacao. Het pilotproject van mijn stagebedrijf moest worden uitgebreid met tweehonderd boeren. Die boeren moeten samenwerken, want de oppervlakte van de boerderijen is zo klein, dat je al niet meer biologisch bent als de buren spuiten. Ik heb de situatie van die boeren onderzocht en kreeg wel een paar keer de opmerking dat de blanken eerst de chemicaliën introduceerden, en nu weer iets anders willen. We moesten eerst maar eens bedenken wat we eigenlijk willen.
In Ghana haalt de overheid veel initiatief weg bij de boeren. De staat regelt bijvoorbeeld de herbeplanting en bespuit gratis de gewassen. De boeren zijn verwend geraakt en vertikken het bijvoorbeeld om te wieden omdat de overheid dat volgens hen moet doen. Hoe verder je van de geasfalteerde wegen komt, hoe traditioneler het wordt en hoe beter de boerderijen eruit zien.
Ghanezen zijn heel open, ze schamen zich nergens voor. Toen ik in een restaurant naar de wc moest, vroegen ze of het voor shit of piss was. Wat ik moeilijk vond, is dat mensen je als een buitenlander blijven beschouwen. Zo roepen ze de hele tijd ‘obruni’ – blanke - naar je. Zelfs in het dorp waar ik vijf maanden woonde bleef men me tot ik wegging zo noemen. Ik schreeuwde gewoon ‘obibini’ – zwarte - terug.
Het openbaar vervoer, waarmee ik naar mijn werk ging en rondreisde was behoorlijk efficiënt, maar wel een gekkenhuis. Ik zat met vijftien mensen, drie geiten en een zak maïs in een minibusje. Ook heb ik eens met twaalf man in een gedeelde taxi gezeten, een goede manier om contact te leggen. Een van de eerste dingen die ze vragen is of je getrouwd bent. Ik heb veel huwelijksaanzoeken gehad, maar ik geloof niet dat ze dat serieus bedoelden.
Ik had een heel aardige tolk met een leuk gezin en een lieve buurvrouw waar ik altijd terecht kon. Met haar keek ik vaak naar Nollywoodfilms. Dat zijn onbeschrijflijk slechte Nigeriaanse films op televisie. In elke film zie je dezelfde acteurs weer. Nollywoodfilms keren zich tegen drank- en drugsgebruik en seks voor het huwelijk en prediken het geloof. Ze zijn enorm grappig.’

Re:ageer