Wetenschap - 1 januari 1970

Vervolg van pagina 1

Vervolg van pagina 1

Vervolg van pagina 1


Rikilt en Dier meer maken werk van Brusselse spijspotten

De dans om rijk gevulde subsidiepoten van de EU vraagt om
uithoudingsvermogen, en succes is nooit vanzelfsprekend. In de net
afgeronde eerste ronde van het Zesde Kaderprogramma haalden de Wageningse
onderzoeksvoorstellen het hoge slagingspercentage van 25 procent. Er zijn
echter grote verschillen tussen kenniseenheden: de Animal Sciences Group
scoorde met 45 procent, de kenniseenheid Agrotechnologie en Voeding met
tien procent.

Sinds 1984 gebruikt de EU zogeheten kaderprogramma’s om het onderzoek in
Europa in de gewenste richting te sturen. In het huidige zesde
kaderprogramma (KP6) is in totaal 17,5 miljard euro beschikbaar voor
wetenschappelijk onderzoek in de komende vijf jaar. Op basis van de nu
beschikbare cijfers blijken veertig van de 160 projecten die (mede) zijn
ingediend door onderzoekers van Wageningen UR te zijn goedgekeurd. Een hoog
slagingspercentage, gezien de gemiddelde score in het KP6-programma
‘Voedselkwaliteit en –veiligheid’ van zestien procent.
De slagingspercentages van de Wageningse onderzoeksvoorstellen verschillen
aanzienlijk per kenniseenheid. De Animal Sciences Group was het meest
succesvol: 45 procent van de ingediende onderzoeksvoorstellen werd
gehonoreerd. Het relatief kleine instituut Rikilt zag veertig procent van
zijn projecten gehonoreerd. De kenniseenheden Maatschappijwetenschappen (27
procent), Groene ruimte (22 procent) en Plant (19 procent) deden het minder
goed. Kenniseenheid Agrotechnologie en voeding is hekkensluiter met een
slagingspercentage van tien procent.
Volgens prof. Wim Jongen, directeur business development van de Animal
Sciences Group, is het succes van de dierwetenschappers geen toeval. ,,We
zijn natuurlijk gewoon een goede club met een goed netwerk in Europa. Als
directieraad hebben we in een vroeg stadium duidelijke keuzes gemaakt,
speerpunten gekozen en sturing op het proces gezet. De expertise voor het
schrijven van voorstellen die we niet zelf in huis hadden, hebben we
ingekocht bij een bureau. Dat is vooral een leerproces: de volgende keer
kunnen we het zelf. We hebben wel onze uiterste best gedaan om te voorkomen
dat we concurrerende voorstellen zouden indienen.’’
Drs Erik Frederiks, accountmanager bij kenniseenheid Groene ruimte,
ontdekte ‘tijdens de rit’ dat er concurrerende voorstellen ingediend zouden
worden door medewerkers van Alterra en het departement
Omgevingwetenschappen. ,,Het onderzoeksveld wordt geacht zichzelf te
organiseren, maar er zijn erg veel netwerken. Bovendien is het voor
universiteitsmedewerkers veel vrijblijvender om in een project te
participeren, alleen instituutsmedewerkers moeten zorgen dat ze vooraf voor
cofinanciering zorgen.’’ Uiteindelijk kwamen er drie projecten op het
gebied van rivier-, bodem- en grondwatersystemen met Wageningse inbreng
boven de drempelwaarde voor financiering. Vooralsnog betekent dit echter
wel dat twee projecten, waaronder het project Soilwatch waarvan Alterra de
trekker is, in de wacht worden gezet. Het project Aquaterra, waarin
onderzoekers van het departement Omgevingswetenschappen participeren,
strijkt het geld op.
Volgens dr Hans Marvin, hoofd marketing en communicatie bij het Rikilt en
mede-indiener van twee ‘geslaagde’ voorstellen, had Wageningen UR meer uit
het programma moeten en kunnen halen. ,,Je moet nu je sporen verdienen
zodat ze straks in het zevende kaderprogramma niet meer om je heen
kunnen’’, aldus Marvin.
Ir Paul van Helvert, marketingmedewerker bij de kenniseenheid
Agrotechnologie en voeding: ,,Bij het departement hebben we vooral
geprobeerd initiatieven te ondersteunen. Je kunt wel beleidsmatige ambities
hebben, maar die moeten toch vooral samenvallen met de ambities op de
werkvloer. Zij moeten uiteindelijk het werk doen. Daar hoor je steeds
vaker: laat deze beker nu maar eens aan ons voorbijgaan.’’
Veel voorstellen van de kenniseenheid waren dan ook afkomstig van het ATO.
Volgens de voorlopige cijfers kwamen er echter slechts twee voor
financiering in aanmerking. Het door ATO getrokken project Stairway to
Hydrogen, over de biologische productie van waterstof, kwam zelfs niet
boven de gestelde grenswaarde uit. Trekker dr. Pieternel Claassen is
‘verbijsterd’. ,,Op dringend verzoek ben in maart nog een keer in Brussel
komen opdraven. We werden toen als een soort voorbeeldproject gezien. Ik
heb ook veel ondersteuning gekregen, iedereen was heel coöperatief.
Natuurlijk kan ik in de toekomst proberen weer mee te draaien met een
voorstel, maar dan wil ik toch eerst weten wat we verkeerd gedaan hebben.
Ik kan nog steeds niet geloven dat het een slecht project was.’’ | G.v.M.

Re:ageer