Wetenschap - 24 januari 2013

Verspreiding vogelgriep blijft onduidelijk

Hoe het vogelgriepvirus zich verspreidde tijdens de epidemie in 2003 in Nederland, is nog steeds onduidelijk. Maar met strenge hygiënemaatregelen kun je verspreiding van het virus voorkomen, blijkt uit promotieonderzoek van Amos Ssematimba.

Amos Ssematimba tijdens de verdediging van zijn proefschrift
Tijdens de uitbraak van vogelgriep in Nederland in 2003 heeft de helft van de geïnfecteerde pluimveebedrijven geen aantoonbaar contact gehad met een eerder geïnfecteerd bedrijf, constateert Ssematimba. Bij de andere helft was er wel contact, bijvoorbeeld via de veearts of de vrachtwagen die de eieren ophaalde of het voer bracht. Maar als je dan heel precies gaat kijken wanneer de leverancier of dierenarts van besmet bedrijf A naar schoon bedrijf B is gereden, is maar zo’n 7 procent van de virusverspreiding toe te schrijven aan geregistreerde contacten tussen bedrijven, zegt begeleider Thomas Hagenaars van het Centraal Veterinair Instituut (CVI) in Lelystad.
Hoe is het virus dan op de bedrijven terechtgekomen? Een mogelijke verspreidingsroute is de wind die het virus met het stof uit de pluimveestal verspreidde. Om die verspreidingsroute te toetsen, ontwikkelde Ssematimba een wiskundig model. Daaruit blijkt dat de wind mogelijk voor 24 procent verantwoordelijk is voor de transmissie van het virus tot 25 kilometer. Bij elkaar verklaren de wind en de geregistreerde contacten tussen bedrijven maar voor 20 tot 50 procent de verspreiding van het virus, stelt de promovendus. Wel is het aannemelijk dat de wind een rol heeft gespeeld in een meerstaps-proces waarbij het virus via wind en ander transport (een schoenzool bijvoorbeeld) bij een ander pluimveebedrijf terecht komt.
De verspreidingsroutes van het vogelgriepvirus zijn diffuus en daarom stelde Ssematimba een verspreidingsmodel op waarin het virus zich random rond een besmet pluimveebedrijf verspreidt, met een grotere besmettingskans in de windrichting. Dat model blijkt goed overeen te komen met de feitelijke verspreiding van het virus in 2003 en helpt daarmee de crisismaatregelen van de overheid te verbeteren bij een uitbraak.
Bij de uitbraak in 2003 hanteerde de overheid aanvankelijk de EU-richtlijnen om besmette bedrijven te isoleren en te ruimen, maar dat bleek onvoldoende om de epidemie onder controle te krijgen. Steeds ontstonden nieuwe haarden met het virus. Pas toen er op grote schaal preventief was geruimd rond besmettingshaarden, kwam de uitbraak tot stilstand. Die preventieve ruimingen leidden tot maatschappelijk protest, maar staan nog steeds in het crisisdraaiboek. Dat is terecht, vindt begeleider Hagenaars. ‘Het alternatief voor ruimen is noodvaccinatie, maar in pluimveedichte gebieden kun je niet snel even grote hoeveelheden kippen inenten. In de directe omgeving van besmette bedrijven in pluimveedichte gebieden moet je voorlopig dus blijven ruimen.’
Ssematimba’s onderzoek wees ook uit dat de crisisteams van de overheid niet of nauwelijks (0,1 procent) bijdroegen aan de verspreiding van het vogelgriepvirus. Die teams werkten met zeer strenge protocollen; steeds moesten ze andere kleding aan en douchen tussen bedrijfsbezoeken. Daar kunnen de veehouders nog wat van leren, vindt Hagenaars. ‘Pluimveebedrijven hebben douches bij de stal. Maar uit het proefschrift van Amos blijkt dat die in de dagelijkse praktijk heel weinig gebruikt worden om verspreiding van dierziekten te voorkomen.’
Amos Ssematimba promoveerde op 21 januari bij Mart de Jong, hoogleraar Kwantitatieve veterinaire epidemiologie.

Re:ageer