Wetenschap - 8 september 2014

Veredeling van nieuwe biologische rassen stagneert

tekst:
Albert Sikkema

De biologische landbouw zoekt tarwe-rassen die met weinig stikstof toch een goede bakkwaliteit geven. En uien met meer ziekteresistenties. Maar veredelingsbedrijven kunnen die nog niet leveren. Veredelaars houden te weinig rekening met de afwijkende omstandigheden voor de biologische teelt, zegt Aart Osman.

Osman ging in zijn promotieonderzoek na of veredelingsbedrijven naast gangbare granen en groenten ook geschikte rassen voor de biologische sector ontwikkelen. Dat is nu vaak niet het geval, omdat de biologische sector andere eisen stelt aan gewassen. Voor de gewassen tarwe en ui zocht Osman uit hoe de veredelaars rekening kunnen houden met de biologische nichemarkt.

Op dit moment heeft de biologische sector in Nederland maar één geschikt tarweras. Dat is een oud ras dat zijn resistentie tegen de ziekte bruine roest bijna kwijt is. Er moeten dus nieuwe rassen komen voor de biologische markt, maar dat stagneert. De gangbare rassen hebben een te lage bakkwaliteit bij een lagere stikstofgift. Een consortium met biologische akkerbouwers en een veredelingsbedrijf gaat komend jaar een betere biologische tarwesoort ontwikkelen, zegt Osman. Hij was tien jaar lang verbonden aan het Louis Bolk Instituut, het onderzoeksinstituut voor biologische landbouw en voeding.

Bij de ui heeft de biologische sector grote behoefte aan resistentie tegen bladvlekkenziekte en valse meeldauw. De veredelaars zoeken de oplossing in het inkruisen van resistentiegenen uit wilde ui, maar dat blijkt een lange en moeizame weg. Er zijn sinds een paar jaar twee rassen met valse meeldauw resistentie, maar de resistentie berust op slechts één gen en resistentie tegen bladvlekkenziekte lijkt nog ver weg. Volgens Osman  zouden veredelaars daarom ook naar partiële resistentie moeten kijken, waarbij meerdere genen deels bescherming bieden. Voor reguliere telers is gedeeltelijke resistentie echter niet interessant omdat ze ziekteproblemen kunnen oplossen met chemische gewasbeschermingsmiddelen, maar die mogen biologische telers niet gebruiken.

Het ontwikkelen van een nieuw ras is heel duur, zegt Osman, en daarom is het van belang voor de biologische sector dat de ontwikkelkosten laag blijven. Dat kan door een consortium te vormen met een veredelingsbedrijf en biologische telers die samen een beter ras ontwikkelen en goede afspraken maken over de betaling. Zolang je zo’n verbeterd zaad binnen het consortium houdt en niet op de markt brengt, kun je de kostbare rassenregistratie vermijden, zegt Osman. Dat opent nieuwe mogelijkheden om rassen te ontwikkelen voor de biologische markt.

Aart Osman promoveerde op 2 september bij Edith Lammerts van Bueren, hoogleraar Biologische plantenveredeling, en Paul Struik, hoogleraar Plantenfysiologie


Re:ageer