Wetenschap - 1 januari 1970

Veenbranden verwoesten Kalimantan

Wat een spectaculaire hervorming van de Indonesische landbouw had moeten worden, is uitgelopen op een milieuramp. Miljoenen hectares veen in Kalimantan gaan in rook op als gevolg van het Mega Rice Project van voormalig president Soeharto. Alterra werkt mee aan onderzoek naar de gevolgen van het project. Daaruit blijkt onder meer dat Europa met klimaatbeleid kan zorgen dat de arme boeren in Kalimantan het veen beter gaan beheren. Haast is geboden, want de CO2-uitstoot uit de inklinkende en brandende veenmoerassen is een tijdbom onder het klimaat.

Door houtkap verwoest veenoerwoud in Kalimantan. / foto Alterra

Op Kalimantan, het met oerwoud bedekte eiland dat deels Indonesisch en deels Maleisisch is, brandt het veen. Dr Henk Wösten van Alterra heeft het aan den lijve ondervonden, en het is geen pretje. 'Als het op zijn ergst is, is er geen tien meter zicht. Scholen gaan dicht, mensen moeten binnenblijven, vliegtuigen kunnen niet opstijgen of landen, en overal ruik je de geur van verbrande turf, in je kleren, je haren.'
Het vuur keert elk jaar weer terug in het droge seizoen, van juli tot oktober.
Onlangs sloeg een internationale club van wetenschappers alarm. Want de effecten van de veenbranden in Indonesië en Maleisië blijven niet beperkt tot de directe omgeving. In 1997, een extreem droog jaar, brandde er volgens satellietdata 2,7 miljoen hectare veen af in Centraal-Kalimantan. Met als gevolg een uitstoot aan CO2 die gelijk staat aan maximaal veertig procent van de complete wereldwijde uitstoot door fossiele brandstoffen per jaar, wat neerkomt op de jaarlijkse uitstoot van Europa.
Alarmerende cijfers, vindt Wösten, die samen met collega-onderzoekers uit Indonesië, Maleisië, Duitsland, Finland en Engeland onderzoek doet naar de veenbranden. 'En', verzucht hij, 'er komt pas aandacht voor het probleem als de vliegvelden van Singapore en Kuala Lumpur dicht moeten wegens de rookoverlast.'

Uitstoot uit inklinkende en brandende moerassen is tijdbom onder het klimaat
Orang-oetans
Een groot deel van de Indonesische archipel bestaat uit veen, dat is ontstaan uit plantenresten die op de veelal natte bodem inklinken en rotten. De soms wel twintig meter dikke veenpakketten op Kalimantan hebben zich in de afgelopen eeuwen gevormd tot een rijke voedingsbodem voor een met oerwoud vol gegroeid veenmoeras. Het Sebangau-oerwoud in Zuid-Kalimantan is zo'n veenmoeras, dat dankzij de voor mensen onaantrekkelijke omstandigheden één van de laatste toevluchtsoorden is voor de bedreigde orang-oetans.
In natuurlijke toestand leggen de veenmoerassen het broeikasgas CO2 vast en voegen dit toe aan de natuurlijke opslag in de venen. Dit CO2 komt vrij als het veen in aanraking komt met lucht en afbreekt. De waterstanden zijn er erg hoog. Daardoor blijft het veen onder water en oxideert het niet. Door drainage van de natte venen verandert de situatie echter drastisch en vormen de venen als het ware een tijdbom onder het wereldwijde klimaat.
Klimaatdeskundige dr Ronald Hutjes van Alterra waarschuwde in Wb al eerder dat bijvoorbeeld de enorme veenpakketten onder de permanent bevroren toendra's in Noord-Siberië met de opwarming van de aarde waarschijnlijk zullen ontdooien en oxideren, met alle CO2-uitstoot van dien.
De uitstoot die door de veenbranden in Kalimantan wordt veroorzaakt, is het direct gevolg van menselijk handelen. De problemen met het veen van Kalimantan begonnen in 1996 toen de toenmalige president Soeharto het Mega Rice Project liet opzetten. Met de ontginning van de miljoenen hectaren veenmoeras tot land voor rijstbouw zou Kalimantan volgens de plannen een mooi alternatief vormen voor het overbevolkte Java, waar landbouw door woningen en industrie werd weggedrukt.

Mislukking
Het woord mega is echter niet sterk genoeg om aan te geven hoeveel er in de volgende jaren in Kalimantan veranderde. Houthakkers kapten het oerwoud. Bouwondernemingen groeven 4.600 kilometer aan kanalen, waarvan sommigen wel dertig meter breed zijn. En tienduizenden landloze Javanen werden naar Kalimantan verscheept om er als arbeiders in de bouwwerkzaamheden en de rijstproductie te gaan werken.
Het Mega Rice Project mislukte jammerlijk. De drainagekanalen waren ontworpen naar voorbeeld van gelijkwaardige constructies in Java, maar voldeden niet voor het met veen bedekte landschap van Kalimantan. In plaats van het water aan te leveren op de rijstvelden die waren beplant, zoog het drainagesysteem de dikke, natte veenlaag droog. Het project bracht daardoor ook nauwelijks rijst op.
De mislukking kwam op een zeer ongelegen moment, want Indonesië was aan het eind van de jaren negentig al in de ban van sociaal-economische, politieke en religieuze oproer. De oorspronkelijke bewoners van Kalimantan - de tot in de twintigste eeuw koppensnellende Dayak's - voelden zich door de toevloed van Javanen opnieuw gekoloniseerd. Ze vielen de voornamelijk islamitische Javanen aan, en grepen daarbij soms terug op hun koppensnellerspraktijken.
In 1998 werd het Mega Rice Project afgeblazen, maar toen was de schade eigenlijk al aangericht. Het Mawas-oerwoed was al grotendeels met kanalen doorgraven, en die kanalen zogen de dikke veenpakketten droog. Daarbij kwam dat de tienduizenden Javanen die waren getransporteerd naar Kalimantan ineens geen werk hadden, en stukje bij beetje delen van het oerwoud tot landbouwgrond omvormden. Dat deden ze op de gemakkelijkste manier: door de bossen plat te branden. Vanaf dat moment was het slechts een kwestie van tijd voor het verdroogde veen vlam zou vatten.

Overstromingen
Het probleem met veenbranden is dat ze door blijven gloeien, en dat ze telkens tijdens droge perioden kunnen opvlammen. Dat gebeurde op zijn ergst in 1997, maar ook het jaar 2002 staat bekend als rampjaar. Ondertussen is volgens Wösten een nieuw probleem ontstaan, want naast de branden in de droge perioden krijgen de Indonesiërs nu ook te maken met overstromingen in de natte tijd. 'Het veen was een natuurlijke vorm van waterberging', legt Wösten uit.
Is er een oplossing? Wösten werkte in de afgelopen zes jaar in door Europa gefinancierde onderzoeksprojecten. Eerst om in kaart te brengen wat het probleem is, en de afgelopen drie jaar om strategieën te ontwikkelen die tot een oplossing leiden. Daaruit blijkt dat de Indonesische overheid moet werken aan de door armoede en corruptie verdreven boeren die het veenmoeras nog steeds aantasten.
'We moeten zoeken naar andere bronnen van inkomsten om de druk op het bos te verlichten', stelt Wösten. Hij is optimistisch over de nieuwe Indonesische president Susilo Bambang Yudhoyono. 'Hij wil de corruptie bestrijden en heeft de controle op illegale houtkap tot prioriteit gesteld', stelt hij. Maar het blijft een lastig probleem. 'Het is een gigantisch land en het is erg ingesleten, dus het zal moeilijk veranderen. De condities zijn echter gunstig, maar uiteindelijk is het een probleem van armoede. Arme boeren kappen de bomen, de politie kijkt een andere kant op, en grote zagerijen verwerken het hout. Het is ook kostbaar hout, ramin-hout, van dezelfde categorie als teak.'

Kyoto
Meer hoop dan op de binnenlandse maatregelen van Indonesië hebben de onderzoekers gevestigd op het steeds belangrijker wordende klimaatbeleid van bijvoorbeeld de Europese Unie. 'Als je het bos goed beheert, is het een opslag voor CO2', vertelt Wösten. 'Nu Kyoto is getekend, en ook Rusland meedoet, ontstaat er een handel in CO2. Dat is een kans voor Indonesië, dat je de bossen in stand kunt houden door de CO2-rechten die daarop liggen te verhandelen. Het probleem is dat in het Kyoto-verdrag tropisch veen wel als CO2-opslag wordt genoemd. Maar terwijl bosaanplant in het veen wel wordt betaald, wordt de vermindering van de uitstoot door een goed beheer niet vergoed.'
Naast deze verhandelbare carbon credits zien de onderzoekers daarom mogelijkheden in de breder toepasbare biorights. Het principe is hetzelfde, alleen zou goed beheer van het veen met dit systeem óók geld kunnen opleveren. 'Bij biorights gaat het erom dat wij als wereldbewoners er baat bij hebben om bepaalde gebieden in stand te houden. Dat men dat wel steeds belangrijker gaat vinden zie je aan de groeiende aandacht voor de rode lijsten en de Ramsar Convention on Wetlands.' Dat verdrag staat voor de bescherming van wetlands als de veenmoerassen in Kalimantan, en is ondertekend door de meeste Europese landen en ook door Indonesië.
Wösten werkt nu samen met onder andere de lokale universiteit van Palangka Raya aan een nieuw project dat is gericht op de restauratie van de veenmoerassen. Want om de CO2-uitstoot die ontstaat door de vernielde veenmoerassen te verminderen, moet er worden gewerkt aan het herstel.

Oliepalm
Volgens Wösten is er op dit ogenblik zicht op een soort driesporenaanpak. 'Je hebt de moerasoerwouden van Sebangau in Zuid-Kalimantan. Daar leven de orang-oetans. Die moet je gewoon beschermen. Dan heb je de gedegradeerde gebieden. Daar moet er vooral gewerkt worden aan het herstel van de hydrologie. Dat betekent dat je of dammen gaat bouwen of streeft naar een hoger waterpeil, maar je kunt ook met herplant kijken of je het gedegradeerde veen kan verbeteren. Daarnaast heb je heel erg gedegradeerde gebieden, waar je oliepalmen zou kunnen planten.'
De aanplant van oliepalmplantages is een Wagenings plan, van dr Herbert Diemont van Alterra. De idee erachter is dat een winstgevend landgebruik leidt tot een beter beheer van dat land. 'Je zult de landbouw en de natuur wel van elkaar moeten scheiden', vertelt Wösten. 'In het veenoerwoud staat het grondwater tot aan het maaiveld, voor oliepalmen moet het op een diepte staan van tachtig centimeter. Dat kan niet naast elkaar. Je moet anders draineren voor oliepalmen dan voor veenmoeras.'
Een ander belangrijk doel van het Europese onderzoeksproject is volgens Wösten de samenwerking met de Indonesiërs. Dat loopt van advisering bij de veenbrandbestrijding tot uitwisselingsstudenten die in Wageningen studeren. Maar de onderzoekers willen met de samenwerking ook zorgen dat de veenbranden onder de aandacht blijven van beleidsmakers die mogelijk voor een oplossing kunnen zorgen. 'We zijn op bezoek geweest bij de scientific officer van de Europese Unie in Brussel met Maleisiërs en Indonesiërs uit het project om haar te vertellen wat we hebben gedaan. Dat had zij nog nooit meegemaakt! Maar het was een goed bezoek, en achteraf heeft het veel geholpen bij het verkrijgen van financiering voor het nieuwe project.'

Martin Woestenburg

Re:ageer