Wetenschap - 4 oktober 2001

Van vers gras tot melk

Van vers gras tot melk

Kenners van gras en van diervoeding werken samen in groot project

Soms moet je buiten je eigen vakgebied gaan om onderzoeksgelden binnen te halen. Graslandkundige dr. ir. Anjo Elgersma deed dat en leidt nu een groot project waaraan de leerstoelgroepen Diervoeding, Gewas- en onkruidecologie en graszaadveredelaar Barenbrug deelnemen.

Geduldig wachten de koeien tot hun verzorger weer een bak vers gras heeft omgekieperd binnen de grote bak voor hun neus. De drukte om hen heen lijken ze niet op te merken. Ze zijn het al gewoon. In de zomer van 2000 liepen er ook al eindeloos veel onderzoekers en studenten af en aan om te voeren, te wegen, melk te monsteren en de restjes gras bij elkaar te vegen.

De samenhang onderzoeken tussen grasras, de opname van de koe (ofwel, hoeveel ze eet) en de melkgift is nu eenmaal iets wat een enorme logistiek en een goede samenwerking vereist. Dat beseft projectleider Elgersma terdege. Het vergt niet alleen de samenwerking tussen twee leerstoelgroepen die vreemd voor elkaar waren: Gewas- en onkruidecologie en Diervoeding. Ook twee proefaccommodaties moeten op elkaar inspelen: De Ossekampen en de Unifarmmedewerkers op de Haarweg. Daarnaast gaat het ook nog om derdegeldstroomonderzoek met de bijdrage van graszaadveredelaar Barenbrug, die hoopt de selectie van nieuwe grasrassen te kunnen verbeteren met de resultaten.

Gouden greep

Voor Elgersma is het onderzoek de gouden greep. Ze heeft er, samen met de onderzoekspartners, bijna twee miljoen gulden voor los weten te peuteren. Maar haast nog belangrijker: ze heeft haar eigen vakgebied een nieuwe toekomst gegeven. Graslandkunde is geen specialisme meer aan de universiteit. Alles was wel zo'n beetje uitgezocht, vond men. Studenten krijgen het niet eens meer onderwezen als apart vak. De onderzoeker bedacht om eens over de grenzen van haar eigen vakgebied heen te kijken. Je kan wel mooi bepalen hoeveel een hectare gras opbrengt, maar waar het uiteindelijk om gaat, is de opbrengst van de koe die het gras eet. Wie zegt dat een hoge opbrengst aan gras ook veel melk oplevert? En hoe zit dat met de kwaliteit van melk, mest en urine? Die relatie was in het Wageningse onderzoek nog nooit gelegd. Ook was er vrijwel geen onderzoek uitgevoerd naar de voedering van vers gras. Dat gebeurde alleen met kuilvoer en krachtvoer. En als er werd beweid, dan gebeurde dat vaak met ossen, zodat een relatie met de melkgift niet te leggen was.

Voor de plantentelers betekent het onderzoek een compleet nieuwe ervaring. Elgersma: "Plantenmensen kunnen hooguit in het laboratorium wat chemische proeven doen met gras." Nu merkt ze wat het betekent om met levend vee te werken. Een koe die ziek is geworden en antibiotica heeft gekregen, mag even niet meer meedoen. Gras krijgt ze natuurlijk nog wel en ook het melken gaat door. Maar de resultaten tellen niet meer mee.

Hectisch

Omdat het om levende dieren gaat, moeten de grasproeven ook voldoende voer opleveren. Voor de proef krijgen de koeien de hele dag vers gras. Is het gras eens wat minder hard gegroeid, dan mag de koe daar niet de dupe van zijn. Daarom zijn van elk ras reservestroken ingezaaid.

Tijdens de proeven is het hectisch. Je hebt maar ??n kans om een monster te nemen tijdens het melken. En moet de pens geleegd worden, dan moet de inhoud, ruim honderd kilo, binnen de kortste keren uit en weer terug in de koe. Die mag er verder niets van merken. Dit gebeurt via een pensfistel, ofwel een gat in de buik van koe dat met een soort stop is af te sluiten. Slechts een paar mensen zijn bevoegd om dit werk te doen. Die hebben daar een speciale cursus voor gevolgd. De student die wil weten wat de koe doet met het gras in de bek, moet snel wezen. Ze geeft de koe een afgepaste hoeveelheid gras en vangt dat op door de fistel. Elgersma legt uit: "Sommige rassen bieden meer weerstand tegen kauwen en inwerking van het speeksel in de bek dan andere. Als de celwand meer is beschadigd, kan de celinhoud sneller vrijkomen in de pens."

De hectische periode duurt veertien weken lang. Rondom de Ossekampen is totaal ruim tien hectare in stroken ingezaaid met acht verschillende rassen Engels raaigras. Elke dag maait een speciaal aangeschafte trekker met frontmaaier per ras een strook gras af, precies genoeg voor twee voedingen van twee koeien. De ene lading is voor 's middags, de andere wordt gekoeld en is voor de volgende morgen. Elk krat met gras wordt nauwkeurig gewogen, er worden monsters van genomen om het drogestofgehalte en de chemische samenstelling van het gras te bepalen. Alles wat de koeien niet opeten, wordt weer teruggewogen zodat de opname van het dier te achterhalen is. Ook noteren onderzoekers allerlei morfologische kenmerken als blad-stengelverhouding.

De gegevens die ze vandaag verzamelen, koppelen de onderzoekers aan de melkgegevens van morgen. Twee weken lang krijgt een koe een bepaald ras en worden opname en melkgift netjes genoteerd. De eerste week mag ze er aan wennen, de tweede week worden extra metingen gedaan, onder andere aan mest en urine. Ook bepalen de onderzoekers aan het eind van die twee weken de snelheid van vertering en passage van het voer in de koe via de pensfistel. De pensinhoud wordt bemonsterd en gaat weer terug de koe in. Uiteindelijk hebben alle koeien alle rassen te eten gehad. Elgersma: "Daarmee sluit je diereffecten uit."

In de rij

Hulp heeft Elgersma genoeg. De studenten en aio's staan in de rij om mee te doen. Sinds mei vorig jaar doen veertien studenten mee, van diervoeding, plantenteelt, dierlijke productiesystemen, biologie en tropisch landgebruik. Een student uit Duitsland is speciaal voor dit onderzoek naar Wageningen afgereisd. Daarnaast zijn er drie aio's en diverse buitenlandse gastmedewerkers uit onder meer Frankrijk, Hongarije en Brazili?. En dan te bedenken dat het onderzoek veel goedkoper in Roemeni? of Ierland uitgevoerd zou kunnen worden. Toch heeft Barenbrug voor Wageningen gekozen. Elgersma is er maar wat trots op.

Vol spanning wacht de onderzoeksploeg de resultaten af. Voor aanvang van het onderzoek kon niemand voorspellen wat de uitkomsten konden zijn. Maar Elgersma is niet bang dat er geen verschillen tussen de rassen uit zullen komen. Zelfs als er geen rasverschillen zijn aan te tonen, levert het onderzoek een schat aan gegevens op. De relatie tussen opname van de koe en de melkproductie is daar al een heel belangrijke van.

Het eerste jaar gaf in ieder geval al stof tot nadenken. Bij dezelfde opname door de koe leidde het ene grasras tot een veel hogere melkproductie dan het andere. Verder bleek er geen verband te bestaan tussen de opname van het gras en de in het lab bepaalde verteerbaarheid van het gras. Opmerkelijk is ook dat de koeien van suikerrijk gras eerder minder dan meer aten.

Dit jaar staan de koeien nog binnen. Volgend jaar wordt het allemaal nog ingewikkelder. Dan volgen de twee jaar dat de koeien gevolgd moeten worden in de wei. Dit najaar is daarvoor het gras gezaaid, de vier rassen die als extremen uit het eerste jaar naar voren kwamen. De resultaten van het tweede jaar waren er op dat moment nog niet.

Ook van de weideperiode willen de onderzoekers weten hoeveel een koe eet. Dit is alleen wat lastiger uit te zoeken. Je kan niet naast de koe blijven staan en meten. Een idee is er al wel. Er zitten alkanen in het gras die onverteerbaar zijn. Die zijn na afloop te meten. Een meer indirecte manier is een stukje uit de strook te maaien waar de koeien grazen, daarvan analyses te doen en na de beweiding opnieuw. Het laatste woord daarover is nog niet gezegd. Maar hoe het ook gebeurt, zeker is dat er weer een heleboel mensen nodig zijn om de proeven rond te zetten.

Leonore Noorduyn

Foto Guy Ackermans

Re:ageer