Wetenschap - 23 maart 1995

Universiteiten moeten meerdere leerwegen onderscheiden

Universiteiten moeten meerdere leerwegen onderscheiden

De opleidingen aan de universiteiten en hogescholen moeten anders worden opgezet om meer onderwijs voor minder geld te realiseren. Staatssecretaris Nuis, die de stelselherziening moet vormgeven, heeft het afgelopen jaar drie gewichtige adviezen over studeren ontvangen die veel gemeen hebben. De universiteiten leiden allang niet alleen meer op tot onderzoeker, vindt ook de Wageningse onderwijskundige A.Ph. de Vries.


De tegenstelling tussen massaliteit en kwaliteit, het klinkt als een dooddoener, maar daar draaien de problemen in het hoger onderwijs om." Dr ir A.Ph. de Vries, werkzaam bij de vakgroep Agrarische onderwijskunde, volgt de discussie over het hoger onderwijs met belangstelling en verbazing. Er moet dringend iets gebeuren, vindt de onderwijskundige, want het draagvlak in de samenleving voor het hoger onderwijs is buitengewoon gering.

Het uitblijven van massale protesten tegen de bezuinigingen op het hoger onderwijs is volgens de Vries veelzeggend. Ritzen kan zich naar het hoger onderwijs toe veel permitteren, zonder dat de man in de straat gaat steigeren." De Vries ziet de problemen in het hoger onderwijs als een tijdbom onder de arbeidsmarkt. Hoger opgeleiden verdringen minder opgeleiden van de markt. Daardoor ontstaat een groep kanslozen. Natuurlijk liggen de zaken niet zo zwartwit als ik het nu stel, maar een verband hiertussen is er wel."

Verbaasd is De Vries over het feit dat voorstellen om drastisch in te grijpen in het universitaire bestel politiek steeds op zoveel weerstand stuiten. Ik heb lang gedacht dat het niet de vraag was of het doctoraalonderwijs werd verdeeld in een Bachelors-fase en een Masters-fase, maar wanneer. Tot nu toe wordt iedere poging politiek neergesabeld." Wat dan wel? De alternatieven zijn weinig aanlokkelijk. De Vries noemt er een paar: Doormodderen en kaasschaven, strenger selecteren, de gebruiker, de student, meer laten betalen."

Onlangs verschenen twee rapporten, een van de Wetenschappelijke raad voor het regeringsbeleid (WRR) en een van de door de VSNU ingestelde commissie De Moor waarin een poging werd gedaan de vraag, wat er dan wel moet gebeuren, te beantwoorden. De WRR pleit voor een indeling van de studie in een Bachelors- en een Masters-fase, de commissie De Moor wil de vierjarige studieduur zoveel mogelijk handhaven en strenger selecteren in de propaedeuse.

Combinaties

Dan is er nog het vorig jaar verschenen en alweer bijna in de vergetelheid geraakte rapport van de Adviesraad voor het onderwijs (ARO) waarin een lans wordt gebroken voor het afschaffen van het voltijdse initiele onderwijs als dominante vorm. Volgens de ARO moet er ruimte komen voor combinaties van werken en leren. De op het eerste gezicht heel verschillende rapporten vertonen ook opvallend veel overeenkomsten.

Zo zijn de adviseurs geen voorstander van selectie aan de poort. Met deze vorm van selectie bespaart de overheid het geld van studenten die onvoldoende capaciteiten hebben voor de opleiding, maar het gaat gepaard met een aanzienlijke foutenmarge. Studenten zullen ten onrechte worden afgewezen.

Bovendien er is niets mis met het talent van de studenten van de massa-universiteit. Ook al wordt er veel geklaagd over het lage niveau en de geringe motivatie van studenten, het empirisch bewijs voor de stelling dat de massaliteit in het hoger onderwijs heeft geleid tot een daling van het niveau ontbreekt, zo stelt de commissie de Moor. Er zijn zeker studenten met te weinig capaciteiten voor de gekozen studie. En er zijn er waarschijnlijk veel meer met voldoende capaciteiten, maar te weinig motivatie". De commissie betwijfelt echter of het relatieve aandeel van deze twee groepen is toegenomen. Waarschijnlijk vallen ze door hun grotere aantal alleen maar meer op."

Bovendien blijken studenten zelden aan de verwachting van hun leermeesters te voldoen." De vraag is dan ook of die verwachtingen wel reeel zijn. Nu het volgen van hoger onderwijs meer vanzelfsprekend is geworden dan vijftig jaar geleden het volgen van secundair onderwijs, kan nog minder dan vroeger worden verwacht dat studenten evenzeer gegrepen worden door de belangstelling voor de wetenschap als hun docenten. Het merendeel komt vanwege de maatschappelijke vooruitzichten en omdat studeren vanzelfsprekend is."

Verwijten

De studenten valt dus niets te verwijten, volgens de commissie De Moor. De WRR gaat nog een stapje verder. Het ligt aan de universiteiten zelf, vindt de raad. Die proberen teveel doelstellingen tegelijk te verwezenlijken: academische vorming, opleiding tot wetenschappelijk onderzoeker en het klaarstomen van studenten voor de arbeidsmarkt. Dat alles in vier jaar.

De WRR wil die verschillende doelstellingen uit elkaar trekken. Studenten moeten eerst een brede driejarige fase volgen, waarin ze academisch worden gevormd. Na drie jaar volgt een strenge selectie. Slechts de helft van de studenten mag door naar de tweede fase waarin een beroepsopleiding wordt gevolgd of een opleiding tot wetenschappelijk onderzoeker.

De huidige indeling in studierichtingen wil de WRR afschaffen. De raad vindt sindsdien daarin dat veel te specialistisch worden opgeleid. Het aantal universitaire studierichtingen is sinds 1980 gegroeid van tachtig naar driehonderd. Dat terwijl de arbeidsmarkt juist flexibel inzetbare werknemers vraagt. De WRR wil eerstejaars studenten de tijd geven te ontdekken wat ze kunnen en willen. Dat kan door het eerste jaar te verdelen in enkele instroomprofielen. In het tweede jaar zouden studenten dan moeten kiezen uit een stuk of dertig hoofdvakken als natuurkunde, geschiedenis of psychologie.

Opvallend is dat zowel de WRR als de commissie De Moor pleiten voor een intensivering van het onderwijs. De WRR wil meer colleges, zo'n twintig uur per week. Studenten moeten vooral veel presenteren en rapporteren. Duurder hoeft dat niet te zijn, denkt de Raad, zolang de studenten maar efficienter worden verdeeld over de beschikbare docenten. Het komt nu te vaak voor dat een groepje van drie studenten wordt begeleid door een docent.

De commissie De Moor heeft een heel andere reden om te pleiten voor intensivering van het onderwijs: ze wil strenger selecteren en dat schept een grotere verantwoordelijkheid voor de instellingen. Studenten zouden volgens de commissie niet meer dan twee jaar ingeschreven mogen staan voor een propaedeuse. Op die manier wordt een student gedwongen zich vroeg te bezinnen over zijn of haar studiekeuze. Hoe langer een student blijft plakken, hoe minder tijd resteert voor de propaedeuse van een andere opleiding.

In de doctoraalfase wil de commissie een tweede selectiemoment. Studenten die na drie jaar nog geen 72 studiepunten hebben gehaald, kan de universiteit wegsturen met een getuigschrift waarin de gevolgde vakken en de behaalde punten staan vermeld. Dus ook de commissie De Moor pleit voor een extra uitstroommoment. Wat zijn dan eigenlijk haar bezwaren tegen invoering van het Angelsaksische B.Sc en M.Sc-model?

Leerrechten

De commissie beroept zich op de internationale context. Een blik over de grens leert dat de studieduur bijna overal uniform is en bijna nergens korter dan vier jaar." Een vergelijking met het Angelsaksische systeem zou niet opgaan. Ter argumentatie voert de commissie ondermeer aan dat de universiteiten met de hoogste reputatie in dat systeem mogen selecteren uit de beste kandidaat-studenten en Nederlandse universiteiten zich tevreden moeten stellen met de doorsnee vwo-abiturient.

Opvallend is het gebrek aan waardering die de commissie en de WRR hebben voor het hbo. Het hbo kan wat de WRR betreft voor studenten met een vwo-diploma terug naar drie jaar. Verder moeten studenten uit het beroepsonderwijs kunnen doorstromen naar het wetenschappelijk onderwijs, zo vinden zowel De Moor als de WRR. Maar volgens De Moor moeten studenten niet langer worden toegelaten tot een universiteit op basis van hun hbo-diploma.

De Adviesraad voor het onderwijs zoekt de oplossing in een heel andere richting. De ARO wil af van de dominante positie van het voltijdse onderwijs. Er zouden allerlei mengvormen moeten ontstaan van werken en leren. De academische ziekenhuizen vormen al een goed voorbeeld. De leeftijdsgrens voor studiefinanciering kan worden afgeschaft. Jongeren krijgen leerrechten, die ze naar eigen inzicht kunnen gebruiken voor een voltijdse opleiding of bijscholingscursussen. Dan neemt de zuigkracht van het voltijdse onderwijs vanzelf af", zo denkt de ARO.

Het ARO-rapport is van de drie het minst concreet. De makers wilden bewust geen blauwdruk geven voor een nieuw onderwijsstelsel, maar een discussie aanzwengelen. Juist dat maakt het zo aardig, vindt De Vries. Het houdt als enige rekening met het draagvlak in de samenleving. Bovendien prikt het een aantal stereotypen door als zouden wij straks door de bezuinigen op onderwijs, het Albanie aan de Noordzee worden."

Het draagvlak voor onderwijs acht De Vries zeer belangrijk. Daarom ook moet hoger onderwijs voor velen gehandhaafd blijven: geen selectie aan de poort en evenmin in de propaedeuse. Een jaar is te snel om te beoordelen of iemand geschikt is. Selectie kan dan nog niet valide gebeuren. En als het onrechtvaardig gebeurt, zal de samenleving gaan steigeren. Na drie jaar durf ik het wel aan om te zeggen: jij wel en jij niet. De WRR laat na drie jaar de helft doorstromen. Eerlijk gezegd vind ik dat nog vrij veel."

De Vries kiest voor de Bachelors- en Masters-fase, maar de politiek lijkt er nog niet rijp voor. Ieder voorstel in die richting wordt door de politiek neergesabeld: van oudsher zijn de universiteiten wetenschappelijke instellingen en dat moet volgens de tegenstanders zo blijven. Maar dat is pure nostalgie. Je kunt dat wetenschappelijke niet langer op de hele instelling van toepassing verklaren: er heeft een functieverbreding plaatsgevonden. Juist mensen die vasthouden aan de oude structuren zetten het wetenschappelijk onderwijs op de tocht. Je kunt niet iedereen de hoogste opleiding geven."

Re:ageer