Organisatie - 14 januari 2016

Universiteit slaagt voor examen

tekst:
Rob Ramaker

Wageningen Universiteit lijkt alle met het ministerie gesloten prestatieafspraken te gaan halen. Toch vindt rector Mol dat er geen nieuwe afspraken moeten komen. De bureaucratische machinerie eromheen kost geld, terwijl het nut niet duidelijk is.

Beeld: Geert-Jan Bruins

Dit jaar worden niet alleen de Wageningse studenten beoordeeld, ook Wageningen Universiteit wordt afgerekend op de geleverde prestaties. In 2012 beloofde de universiteit – evenals alle andere instellingen voor hoger onderwijs – zich op zeven punten te verbeteren. Deze zogeheten prestatieafspraken moeten onder meer het studiesucces van studenten vergroten (zie kader). Een klein deel van de financiering, 7 procent, is afhankelijk van de resultaten. Voor het overige wordt de financiering zoals vanouds bepaald door de studentenaantallen.

Wageningen Universiteit hoeft waarschijnlijk niet te vrezen voor de uitkomsten. De instelling lijkt op 1 januari 2016 alle doelen te hebben gehaald. Rector magnificus Arthur Mol toont zich dan ook tevreden. ‘Op meerdere fronten doen we het als universiteit heel goed’, zegt hij.

Er wordt weinig herverdeeld, omdat iedereen de prestatieafspraken haalt

Rendement

Niet voor alle doelen hoefde Wageningen Universiteit even hard aan de bak. Bij vijf van de zeven punten beloofde de instelling ‘slechts’ de goede prestaties vast te houden. Dat gold onder meer voor het aantal intensieve opleidingen – meer dan 12 contacturen per week – en voor de kosten die de universiteit maakt aan overhead. Op twee andere punten werd wel flinke vooruitgang beloofd. Zo moest het bachelorrendement, het aandeel studenten dat zijn bachelor in vier jaar haalt, worden opgestuwd van 61 tot 75 procent.

Inmiddels ligt dit rendement op 79 procent. Die verhoging is gerealiseerd zonder dat het aantal uitvallers in het eerste jaar, dat niet meetelt voor het rendement, is opgelopen. Sterker nog: ook dit aandeel liep terug, van 14 naar 10 procent. Het is onduidelijk welk beleid heeft gezorgd voor deze verbetering. Zo bleek de landelijk ingevoerde studiekeuzecheck, of matching, geen invloed te hebben op uitval. Verder voerde Wageningen Universiteit landelijk gezien relatief laat een bindend studieadvies (BSA) in. Pas sinds afgelopen collegejaar wordt afscheid genomen van eerstejaars die minder dan 36 ects halen. In vergelijking met ander universiteiten is dat mild. Bovendien blijkt de maatregel niet tot meer afvallers te leiden.

Rector Mol ziet het veranderde studieklimaat daarom als voornaamste oorzaak van het stijgende rendement. ‘Je krijgt geen studiefinanciering meer en studenten denken dan ook anders over hun studie’, zegt hij. Zij werken niet alleen harder en efficiënter. ‘Je ziet dat ook excellentie oprukken in het onderwijs. Studenten willen iets extra’s doen, zoals een honoursprogramma. Bovendien kijken ze hoe ze zich kunnen positioneren op de arbeidsmarkt.’ Mol denkt daarom dat rendementen ook zonder prestatieafspraken zouden zijn gestegen. Het beperken van uitval en vertraging is immers in het belang van instelling en student. Docenten

Behalve de verbetering van het bachelorrendement beloofde Wageningen Universiteit het aantal docenten met een Basiskwalificatie Onderwijs (BKO) op te schroeven. Alle universiteiten startten vanaf 2008 programma’s om de onderwijsvaardigheden van docenten te verbeteren. Deze verschillende programma’s worden onderling erkend. In 2011 had nog slechts 24 procent van de docenten een BKO. ‘Er is een flinke inspanning geweest afgelopen jaren’, zegt Emiel van Puffelen, afdelingshoofd bij Corporate Education, Research & Innovation, ‘en nu heeft zo’n 49 procent van de docenten zijn kwalificatie.’ Bovendien zitten nog zo’n 200 docenten ‘in de pijplijn’.

Aan het BKO-programma spenderen docenten zo’n 220 uur. Deze tijd wordt ingevuld met cursusdagen, maar ook met coaching rondom het eigen onderwijs. ‘Het is bij uitstek gericht op het eigen onderwijs met daarbij een theoretisch kader’, zegt Van Puffelen. De evaluaties van deelnemers zijn lovend. ‘Natuurlijk wordt er best tegen die 220 uur aangehikt’, zegt Van Puffelen. Maar in de praktijk merkt hij dat mensen graag hun ervaringen delen en veel opsteken. Het bezitten van een BKO moet komende jaren standaard worden. Daarom is het een verplicht onderdeel van het tenure track-programma. Er is nog niet onderzocht of het BKO-programma daadwerkelijk de onderwijskwaliteit aan universiteiten verhoogd.

Afstudeersucces en BKO

Kritiek

Ondanks de goede resultaten ziet rector Arthur Mol geen reden om weer nieuwe prestatieafspraken te maken. De afspraken waren bedoeld, zegt hij, om geld te herverdelen. Kennisinstellingen die zich niet verbeteren, zouden iets minder krijgen, instellingen die dat wel lukt juist iets meer. De meeste universiteiten lijken hun doelen echter te halen. Mol: ‘En dus wordt er in de praktijk weinig herverdeeld. Maar er is wel een bureaucratische machinerie opgetuigd om de vorderingen te volgen.’ Dit zorgt dat het beleid hoge transactiekosten heeft. Geen goede besteding van de middelen, vindt de rector. ‘Dan heb ik liever dat we ondersteunende staf laten werken aan onderwijsvernieuwing.’ Mol voegt toe dat binnen universiteiten voldoende controlemechanismen bestaan om de kwaliteit hoog te houden, zoals de medezeggenschap.

Ook bij andere instellingen is het enthousiasme bekoeld. Zowel Karl Dittrich als Thom de Graaf, voorzitters van de belangenorganisaties van respectievelijk universiteiten en hogescholen, lieten zich negatief uit over het middel. Voorbarige kritiek, meent het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OC&W). ‘Ik weet dat hier al veel over is gezegd’, reageert woordvoerder Michiel Hendrikx, ‘maar wij willen echt de evaluatie afwachten.’ Later dit jaar wordt dus niet alleen duidelijk hoe Wageningen Universiteit het er vanaf heeft gebracht, maar ook of er in de toekomst nieuwe prestatieafspraken komen.


Prestatieafspraken

De Nederlandse hogescholen en universiteiten maakten in 2012 prestatieafspraken met het ministerie van OCW en – in het geval van Wageningen Universiteit  – het ministerie van EZ. 7 procent van de bestaande financiering werd afhankelijk van de geleverde prestaties, overige financiering blijft afhankelijk van studentenaantallen. De prestatieafspraken hebben vier doelen. Ze moeten zorgen voor een hogere onderwijskwaliteit, soepelere doorstroming van studenten, sterkere profilering van instellingen en meer valorisatie van kennis.


Re:ageer