Organisatie - 10 november 2016

Unilever naar de campus

tekst:
Albert Sikkema

Unilever gaat een R&D-centrum voor voeding bouwen op de Wageningse campus, naast FrieslandCampina. Vanaf 2019 moet dat ruimte bieden aan 550 onderzoeksmedewerkers van de multinational. Welke gevolgen kan dit hebben voor Wageningen University & Research? Heeft het daadwerkelijk voordelen voor Unilever zelf? En tast de komst van het bedrijf de onafhankelijkheid van het Wageningse onderzoek aan? Betrokkenen geven antwoord op deze drie vragen.

Illustratie: Geert-Jan Bruins

1. Wat betekent komst Unilever voor WUR?

Een invloedrijke multinational als nieuwe buur. Wat betekent dat voor Wageningen University & Research? Hoogleraar Remko Boom, die Unilever van binnen en van buiten kent, ziet vooral voordelen.

Remko Boom kent Unilever. Hij heeft zes jaar bij het R&D-lab van het bedrijf gewerkt in Vlaardingen en werkt sinds 1998, toen hij hoogleraar Levensmiddelenproceskunde werd aan WUR, veel samen met het voedingsconcern. Vooral binnen het Institute for Sustainable Process Technology (ISPT), een consortium van universiteiten en bedrijven die hun processing willen verbeteren en verduurzamen.

‘Unilever heeft grote doelen om duurzaam te worden’, zegt Boom. ‘Het bedrijf zit ook in Wetsus, het waterinstituut dat onderzoek doet naar waterbesparing en afvalwater uit wasprocessen. Het bedrijf investeert in projecten om in de hele keten water te besparen.’ Unilever is een heel belangrijke onderzoekpartner in Nederland, zegt Boom. ‘En als we als WUR een missie hebben om beter gebruik te maken van grondstoffen, is het logisch om samen te werken met partijen die dat ook willen, zoals Unilever.’

Remko Boom (foto: Kosterman)
Remko Boom (foto: Kosterman)

Boom vindt Unilever een prettige onderzoekpartner. ‘De onderzoekers daar zijn allemaal gepromoveerd, ze hebben veel kennis en je leert ook veel van hen. Op sommige onderzoekgebieden zijn ze verder dan wij.’ Het R&D-centrum van Unilever is groot en heeft de capaciteit om ook fundamenteel onderzoek te doen. ‘Toen ik bij Unilever werkte, werkte ik aan wiskundige modellen. Dat onderzoek diende geen directe toepassing. Ik heb ook nooit het idee gehad dat de leiding de uitkomsten van onderzoek wilde sturen. Er was altijd behoefte aan kritiek, ook van universiteiten. Dat past ook bij een marktleider die consumentenproducten maakt. Je wilt niet dat je claims later niet goed onderbouwd blijken te zijn.’ Unilever publiceert niet alle onderzoeksresultaten, nuanceert Boom. ‘Cruciale dingen voor het bedrijf houden ze voor zichzelf. Maar het is geen gesloten bedrijf.’

De komst van Unilever naar Wageningen gaat er volgens Boom voor zorgen dat WUR en Unilever meer gaan samenwerken bij het gebruik van de kennisinfrastructuur. ‘Ik hoop dat ze dure apparatuur gaan delen, bijvoorbeeld via het Centre for Advanced Technology AgroFood. Die samenwerking maakt dan ook de WUR sterker. Ik denk ook dat er meer gezamenlijke projecten komen, omdat de sterke onderzoekers elkaar meer spreken. En ten derde is dit natuurlijk goede reclame voor Food Valley. Het zou me niet verbazen als meer onderzoekinstellingen zich nu in Wageningen willen vestigen.’

Maar tast de innige samenwerking met en geografische nabijheid van een bedrijf de onafhankelijke positie niet aan? Dat hoeft niet, zegt Boom. ‘Ik zie de bedrijven niet als klanten, want de klant is koning. Ik zie ze als partners waarmee je desgewenst kunt samenwerken. Als ik moet kiezen tussen een bedrijf en een aio of student, dan kies ik voor de aio of student. Dat zeg ik ook altijd tegen het bedrijf voordat we aan een onderzoek beginnen. Als het bedrijf bijvoorbeeld wil dat we naar een nieuw onderwerp gaan kijken, maar de aio wil het huidige onderwerp nog verder uitdiepen, dan kies ik voor de aio.’

2. Welke voordelen kan Unilever verwachten?

Unilever hoopt dat vestiging in Wageningen een impuls zal geven aan innovatie. FrieslandCampina zit al ruim drie jaar met zijn Innovation Centre op Wageningen Campus. Heeft dat iets opgeleverd? Zeker, zegt onderzoeksdirecteur Ger Willems van het zuivelbedrijf.

Ger Willems (foto: Guy Ackermans)
Ger Willems (foto: Guy Ackermans)

Willems hoeft niet lang na te denken over wat de komst naar de Wageningse campus het zuivelbedrijf heeft gebracht. ‘Het grootste voordeel voor ons is het gemak van de samenwerking.’ Vroeger, toen hij vanuit het R&D-lab van FrieslandCampina in Deventer werkte, moest Willems afspraken inplannen om naar Wageningen te gaan. Tegenwoordig belt hij onderzoeksleiders van WUR of ze even tijd hebben voor een kopje koffie. Ze zitten immers op loopafstand. ‘De intensiteit van de samenwerking is enorm toegenomen.’

Het zuivelbedrijf zit sinds augustus 2013 op de Wageningse campus. De afgelopen jaren is het aantal onderzoeksprojecten met de WUR niet noemenswaardig toegenomen, schetst Willems. ‘Voordat we kwamen, wisten we al welke Wageningse groepen relevant waren. Daar werkten we al mee samen. Maar nu lopen onze onderzoekers en die van WUR wel veel makkelijker bij elkaar binnen. De kwaliteit van de samenwerking is een stuk beter geworden.’

Tweede winstpunt volgens Willems is wat hij de ‘bijvangst’ noemt. ‘Je praat met iemand van WUR en je hoort wat. Zo was ik op de open dag van Food & Biobased Research en daar hoorde ik dat ze een apparaat hadden ontwikkeld om de rijpheid van fruit te meten. Toen vroeg ik me af: kun je daar ook de rijpheid van kaas mee meten? Uiteindelijk bleek dat te lastig, maar je legt zo’n verbinding alleen als je er tegenaan loopt.’

Een andere bijvangst leidt waarschijnlijk wel tot een vervolgproject. Willems liep tijdens een ondernemersborrel tegen een bedrijf aan met een 3D-printer op de campus. ‘Dat kwam mooi uit, want we wilden net iets doen met 3D-printers op het gebied van verpakkingen.’

Bijvangst kan innovatie opleveren, maar ook geld besparen. Het meest recente voorbeeld, zegt Willems, is dat onderzoekers van FrieslandCampina een duur analyse-apparaat wilden aanschaffen. Voor de aanschaf gingen ze langs bij onderzoekers van WUR. Die hadden een ander apparaat, dat maar een kwart kostte van het beoogde apparaat, en daar konden ze hetzelfde onderzoek mee doen. ‘Zo’n meevaller heb je alleen als je bij elkaar over de vloer komt.’

FrieslandCampina deelt ook faciliteiten met WUR in het Centre for Advanced Technology AgroFood en maakt gebruik van de bibliotheek en postverzorging van WUR. Omgekeerd vindt het practicum Zuivel van de universiteit plaats in het innovatiecentrum van FrieslandCampina. Zo’n dertig WUR-studenten maken drie weken lang boter, kaas en yoghurt in dit practicum. ‘Wij hebben de goede faciliteiten daarvoor. In het begin was het: “lastig, extra werk, studenten binnen”. Na de eerste keer was het: “leuk, jonge mensen opleiden, dankbaar werk”.’

Willems gelooft in de informele samenwerking tussen bedrijf en universiteit. ‘Je moet elkaar leren kennen en vertrouwen. Daarvoor moet je elkaar vaker ontmoeten, om te weten wat je aan elkaar hebt. Je kunt onderzoeksamenwerking dichttimmeren in contracten, maar die zijn vaak gebaseerd op wantrouwen, en dat werkt niet.’

Willems kent ook de geluiden van critici die vinden dat bedrijven teveel de onderzoekagenda bepalen, omdat onderzoekers steeds vaker een handtekening van bedrijven nodig hebben om een voorstel gefinancierd te krijgen. Willems: ‘Wij proberen duidelijkheid te creëren door aan te geven wat onze onderzoekagenda is. Dan weten WUR-onderzoekers: met dit onderwerp hoef ik niet aan te komen bij FrieslandCampina.’

3. Tast komst bedrijven de onafhankelijkheid aan?

De komst van Unilever naar Wageningen heeft de discussie over commerciële bemoeienis met onderzoek weer doen oplaaien. Die bemoeienis wordt inderdaad te groot, stellen drie Wageningse hoogleraren, maar dat heeft niets met geografische nabijheid te maken. Het komt door een weeffout in de onderzoekfinanciering van NWO.

Marcel Zwietering (foto: Guy Ackermans)
Marcel Zwietering (foto: Guy Ackermans)

Hoogleraar Levensmiddelenmicrobiologie Marcel Zwietering werkt graag samen met voedingsbedrijven als Unilever, bij voorkeur in een consortium. ‘Ik moet als levensmiddelenmicrobioloog met de levensmiddelenindustrie samenwerken. Als ik dat niet doe, doe ik mijn werk niet goed. Maar voor de balans is het goed dat ik ook samenwerk met maatschappelijke organisaties die zich met voedselveiligheid bezighouden.’

Die balans is nu zoek, meent Zwietering. ‘Bijna alle onderzoekvoorstellen moeten tegenwoordig via bedrijven lopen.’ Niet alleen bij onderzoekfinanciers die zich specifiek richten op publiek-private samenwerking, maar ook bij de grote onderzoeksfinancier NWO. ‘Het is te veel geworden. De industrie krijgt te veel invloed op de onderzoekagenda.’

Sacco de Vries (foto: Guy Ackermans)
Sacco de Vries (foto: Guy Ackermans)

Sacco de Vries, hoogleraar Biochemie, is het daarmee eens. Hij geeft een voorbeeld. ‘Het NWO-programma Building blocks of Life vraagt 10 procent cofinanciering van bedrijven. Voor dit fundamentele onderzoek is een project van een half miljoen euro niet ongewoon. Dan moet je dus vijftigduizend euro genereren bij bedrijven voor fundamenteel onderzoek. Vaak lukt dat niet. Bedrijven worden door zoveel onderzoekers benaderd dat ze de middelen niet meer beschikbaar kunnen stellen.’ Zelfs voor EU-netwerken die promovendi opleiden wordt tegenwoordig al cofinanciering van bedrijven gevraagd, zegt De Vries. ‘Het financieringssysteem voor onderzoek met ongewisse uitkomst is volledig uit het lood op dit moment.’

Volgens Sander Kersten, hoogleraar Voeding, metabolisme en genomics, werkt de invloed van bedrijven door in het Wageningse promotieonderzoek. ‘Ik denk dat 20 à 30 procent van mijn promovendi op publiek-private projecten zitten. Dan financieren bijvoorbeeld NWO en een of enkele bedrijven het onderzoek, maar per saldo bepaalt het bedrijf dan de onderzoekagenda.’

Kersten verwijt het de bedrijven niet dat ze zo handelen. ‘Maar ik betwijfel wel of dit een verstandig systeem is vanuit de Nederlandse overheid bezien. Nu laat ze de onderzoekregie volledig over aan het bedrijfsleven. Daardoor wordt het onderzoek minder fundamenteel en richt het zich meer op de korte termijn.’

Sander Kersten (foto: Guy Ackermans)
Sander Kersten (foto: Guy Ackermans)

Kersten kaartte dit probleem onlangs aan in dagblad Het Parool. Voor publiek-private onderzoeksprojecten bij de topsectoren, met inbreng van NWO, geldt verplichte cofinanciering door bedrijven, legde hij in het artikel uit. Die bedrijven onderhandelen dus met de onderzoekers over de onderzoeksopzet. Maar aan het eind van de rit, als alle onderzoeksvoorstellen voor de topsector zijn uitgewerkt, kan het bedrijf zich opeens terugtrekken, omdat het ander onderzoek belangrijker vindt. Dat afhaken komt steeds vaker voor, zegt Kersten. ‘Je bent overgeleverd aan het bedrijf. Vroeger werd je project ook weleens afgewezen bij NWO, maar dan wist je dat er andere sterke groepen waren die blijkbaar een beter voorstel hadden ingediend. Maar nu weet je dat niet meer.’

Volgens Kersten staan onderzoeksgroepen nu voor een dilemma. ‘We moeten ons afvragen of we dit nog willen. We dienen nu vaak op allerlei plekken voorstellen in en komen dan in dit soort problemen terecht. We kunnen ons ook concentreren op wetenschappelijke kwaliteit en diepgang.’ Maar bij het huidige financieringssysteem betekent dit: aanvaarden dat je onderzoeksgroep krimpt.


Wat doen we al met Unilever?

Unilever werkt al jaren samen met de Wageningse voedings- en levensmiddelengroepen, vooral in het Topinstituut Food and Nutrition (TIFN) en het Institute for Sustainable Process Technology (ISPT), brede consortia van universiteiten en bedrijven voor pre-competitief onderzoek. Ook werkt het bedrijf met Wageningse watertechnologen samen in Wetsus, het Europese centrum voor duurzame watertechnologie in Leeuwarden. Unilever financiert daarnaast drie buitengewoon hoogleraren aan WUR: Rob Hamer (Levensmiddelenchemie), John van Duijnhoven (Biofysica) en Simeon Stoyanov (Surface science). Deze hoogleraren houden zich bezig met fundamentele onderzoeksvragen. Ze willen geen commentaar geven op de plannen van Unilever in Wageningen.


Re:ageer