Organisatie - 1 februari 2007

Uitzetten is uit

De internationale kritiek neemt toe, kosten stapelen zich op en ecologen blijven het onderling oneens. Het ministerie van LNV zit in haar maag met de herintroductie van diersoorten. Alterra en Plant Research International hebben ter ondersteuning een gezamenlijk advies geschreven. Zij menen dat extra aandacht voor nog aanwezige soorten zinvoller is dan het weer tot leven wekken van uitgestorven soorten.

23_achtergrond0.jpg
In 1988 reed een auto de laatste Nederlandse otter dood. Soortgenoten uit Letland en Wit-Rusland werden in 2002 losgelaten in natuurgebied De Weerribben. Maar dat ging niet zonder problemen. Veel van de uitgezette dieren trokken weg en werden – opnieuw - overreden. Het hele project getuigt van ongeduld en onkunde, stellen de tegenstanders.
Het otterproject was de afgelopen jaren ongetwijfeld het meest besproken voorbeeld van herintroductie in Nederland. De overheid investeerde miljoenen euro’s in een diersoort die mogelijk ook uit zichzelf was teruggekomen. Want de populatie in Duitsland groeit, en zo nu en dan trekken er dieren naar Nederland.
Het valt te betwijfelen of LNV toestemming had gegeven voor het uitzetten van Wit-Russische otters als ze waren uitgegaan van de afwegingen die Alterra en PRI nu maken in hun recent uitgegeven rapport. De keuze voor herintroductie is namelijk niet meer zo vanzelfsprekend als een paar jaar geleden. Sterker nog, in het rapport wijzen de onderzoekers het uitzetten van een uitgestorven diersoort in beginsel af. ‘Nee, tenzij’, is het advies aan LNV. De focus moet niet liggen op het terugbrengen van diersoorten, maar op het instandhouden van de natuur die er nog is. Hiervoor moet meer uitwisseling van individuen plaatsvinden tussen leefgebieden, desnoods kunstmatig. Dat kan door dieren te vangen en verderop weer los te laten.

Korhoen
En niet alleen het otterproject zou gesneuveld zijn als de nieuwe richtlijnen van Alterra en PRI waren gevolgd. Tientallen andere dieren zijn de afgelopen decennia uitgezet, waaronder de raaf, edelhert, bever, das, havik, en vele vlindersoorten. ‘Veel van deze herintroductieprojecten zouden niet voldoen aan de nu opgestelde afwegingen’, beaamt Geert Groot Bruinderink van Alterra. Hij is één van de schrijvers van het rapport. ‘Projecten moeten veel zorgvuldiger worden aangepakt’, zegt hij beslist.
Nu nog beslist de overheid over het wel of niet terugplaatsen van uitgestorven diersoorten op basis van richtlijnen van de internationale natuurbeschermingsorganisatie IUCN. Maar dat deze in de praktijk niet voldoen, blijkt uit het slepende conflict rond het uitzetten van korhoenders op de Veluwe. Het ministerie gaf toestemming, maar natuurorganisaties kwamen in opstand. Ze zijn het niet eens met de interpretatie van de IUCN-richtlijnen. Inmiddels ligt de zaak voor de derde keer bij de Raad van State.
Groot Bruinderink en zijn collega’s presenteren in het rapport een aantal afwegingen op basis waarvan de overheid kan besluiten diersoorten wel of niet uit te zetten. Eén daarvan is de vraag of voldoende bekend is wat de gevolgen zijn van het uitzetten van dieren voor de soort zelf en voor het ecosysteem. ‘Te vaak zijn de gevolgen onbekend. Ik kan nu zelfs geen enkele uitgezette diersoort bedenken waarvan we alles wisten. Een nadere afweging voor herintroductie is nodig.’
Maar er zijn meer punten om bij stil te staan, zeggen de onderzoekers. ‘Zijn de oorzaken van het verdwijnen van de soort bijvoorbeeld bekend? Van otters zijn we ervan uitgegaan dat de achteruitgang van waterkwaliteit, viskwaliteit en de slechte infrastructuur de oorzaken waren. Maar was dat daadwerkelijk de crux?’

Politiek
De verschillende aanbevelingen die de onderzoekers doen, komen voort uit de ruime ervaring die Nederland heeft opgedaan met tal van herintroductieprojecten. Ook Groot Bruinderink is door ‘voortschrijdend inzicht’ minder stellig geworden over het kunstmatig terugbrengen van diersoorten. Tien jaar geleden maakte hij zich nog sterk voor het loslaten van de lynx op de Veluwe. Nu pleit hij vooral voor ‘robuuste verbindingen’. ‘We moeten eerst werken aan de doorlaatbaarheid van het landschap, de infrastructuur. De lynx kan alleen op de Veluwe een duurzame populatie vormen als er een goede verbinding is met het achterland. Pas als dat er is, zou herintroductie een optie zijn.’
Collega-onderzoeker Hugh Jansman van Alterra, de man achter de otters in de Weerribben, is echter nog niet helemaal om. Hoewel hij erkent dat veel uitgevoerde projecten misschien wel nooit waren goedgekeurd met de puntenlijst die hij en zijn collega’s hebben samengesteld, vindt hij niet dat het uitzetten van de otter een foute beslissing is geweest. ‘Ja, er zijn dieren gesneuveld, maar dat hoort erbij. Kijk naar de uitgezette korenwolven in Limburg. Mensen hielden daar de beestjes warm in washandjes en vervolgens at een vos ze op. Dat vinden mensen zielig, omdat ze er een band mee hebben. Maar het is natuurlijk. We zetten dieren uit om een populatie te krijgen die zichzelf uiteindelijk in stand kan houden, niet om elk dier individueel in leven te houden.’
Natuurbeheer is in Nederland een ‘politieke aangelegenheid’, zegt Jansman. ‘De otter is niet uitgezet met als reden de soort te beschermen, maar als ambassadeur voor het zoetwater ecosysteem. Elke vierkante meter van onze natuurgebieden wordt bepaald door beleid. De otter heeft ervoor gezorgd dat er meer ruimte kwam voor natuurbeleid.’
Daarom ook is het niet correct volgens Jansman om de gemaakte kosten uit te drukken in euro’s per otter. ‘Mensen maken vaak een rekensommetje voor elke aangereden otter, maar dat is een vreemde berekening. Stel dat we dat voor elke opgegeten korenwolf zouden doen? Waar het om gaat is de spin-off, en die is gigantisch. Andere diersoorten liften mee met de maatregelen die zijn genomen. Het hele ecosysteem profiteert van het project.’

Tijdig ingrijpen
Vanuit deze optiek zal het rapport van Alterra en PRI de discussie over herintroductie niet beëindigen. Maar waar het volgens de onderzoekers eigenlijk om gaat is de vanzelfsprekendheid die moet verdwijnen. De focus moet niet meer liggen op herintroductie, maar op het instandhouden van bestaande populaties door zogenoemde ‘afgeleiden van herintroducties’, oftewel verplaatsing binnen Nederland.
Veel diersoorten, zoals reptielen en amfibieën, moeten te grote afstanden afleggen om bij een andere populatie te komen. Dit leidt tot inteelt waardoor de populaties genetisch steeds armer worden. De ecologen willen daarom individuen van populaties vangen en vervolgens in andere geïsoleerde populaties uitzetten. De afwezigheid van natuurlijke uitwisselingsprocessen wordt zo kunstmatig opgevangen, waardoor de genetische diversiteit alsnog kan toenemen. Een ander alternatief is het uitzetten van een soort in tussenliggende gebieden die geschikt zijn maar waar de soort nog niet voortkomt. Daarmee wordt de afstand verkleind en is er een grotere kans op een natuurlijke uitwisseling.
Deze alternatieven liggen echter nationaal en internationaal gevoelig, net als herintroductie. Dat komt onder andere door het risico op de verspreiding van ziektes. Dat is echter geen reden om de discussie uit de weg te gaan, zeggen Jansman en zijn collega’s. In de praktijk gebeurt verplaatsing zelfs al door het vangen van kikkerdril voor de vijver in de achtertuin. Ook zijn er tal van geslaagde projecten in andere landen. Zo dreigde in Zweden een geïsoleerde adderpopulatie uit te sterven. Het loslaten van een adder uit een andere populatie zorgde voor een toename van de genetische diversiteit én maakte de groep weer sterk.
‘Nederland is bij uitstek het land waar we ervaring op kunnen doen op het gebied van natuurbeheer onder menselijke druk’ zegt Jansman. ‘In de hele wereld zal het steeds meer een kunstmatige uitwisseling worden van dieren, tussen landen en dierenparken onderling, om de genetische variatie in stand te houden. Over dertig jaar is de kennis van Nederlandse ecologen over het op peil houden van diersoorten daarom goud waard.’
Voorwaarde is wel, zegt hij, dat de kennis van diersoorten toeneemt door middel van vroegtijdig onderzoek. ‘Eerder werd vaak gekozen voor een modelstudie op het moment dat het slecht bleek te gaan met een diersoort zoals de korenwolf’, zegt Jansman. ‘LNV had ook kunnen kiezen voor uitgebreid veldwerk om meer van de soort te weten te komen en de oorzaken van de achteruitgang te leren kennen. Op basis van dat diepgaandere onderzoek hadden misschien betere maatregelen genomen kunnen worden zodat de korenwolf helemaal niet bedreigd was.’
In plaats van ‘gemakkelijk’ kiezen voor herintroductie is het daarom zaak te investeren in het creëren van mogelijkheden voor spontane terugkeer en vroegtijdig onderzoek van soorten die in de toekomst mogelijk onder druk komen te staan. ‘Dit doen we nu bijvoorbeeld met de boommarter en de grutto’, zegt Jansman. ‘Hopelijk zijn we daar wel op tijd bij.’

Re:ageer