Organisatie - 2 oktober 2008

Tweedeling in Europees landbouwbeleid?

Twintig van de 27 EU-landen willen ook na 2013 boeren blijven steunen, zo bleek op het overleg van de landbouwministers op 23 september. Minister Gerda Verburg behoort tot de minderheid die pleit voor meer marktoriëntatie en minder bescherming. Wat betekent dit voor de toekomst van het Nederlandse en Europese landbouwbeleid?

opinie_0_609.jpg
Dr. Siemen van Berkum, onderzoeker Interationale handel en ontwikkeling bij het LEI:
‘Ik zie geen breuk. Ik proef in de stelling van de twintig landen dat ze de ingeslagen koers willen handhaven en dat is de koers waarbij al meer marktoriëntatie gerealiseerd is. Feitelijk zijn de contouren van het gemeenschappelijk landbouwbeleid tot 2013 vastgelegd en de twintig landen pleiten ervoor om aan die besluiten vast te houden.
Wel komen er vanuit landen als Nederland, Denemarken, Zweden en Engeland geluiden dat de deregulering sneller mag gaan. Deze landen hebben vertrouwen in de sterkte van hun landbouwsector. Het grootste deel van de Nederlandse landbouwsector heeft trouwens nooit onder de paraplu van Brussel gestaan. Maar het is niet mogelijk binnen het Europese landbouwbeleid een eigen koers te varen. Het kan niet zo zijn dat de markt in het ene land verder is gedereguleerd dan het andere. De lidstaten moeten er samen uitkomen.’

Albert Jan Maat, voorzitter LTO Nederland:
‘Alle landen hebben in het verleden ingestemd met grote hervormingen tot 2013. Als twintig landen dan tussentijds aangeven niet al te veel verder te willen, maar wel de WTO-onderhandelingen voort te willen zetten, dan vind ik dat niet erg consequent. Er wordt meer gedacht vanuit een verdedigende houding dan vanuit de uitdaging. Het is zinloos te suggereren dat er een weg terug is.
Net als de Europese Commissie willen wij dat de afspraken die zijn gemaakt over deregulering tot 2013 worden gehandhaafd. We zijn beter af met een goede marktoriëntatie. Als je de wereld wilt voeden dan is het alle hens aan dek. Dat betekent op de lange termijn dat er niet alleen moet worden geïnvesteerd in boeren die bijdragen aan natuur en landschap, maar ook in concurrentiekracht.’

Gijs Kuneman, directeur CLM, adviesbureau voor duurzame landbouw en een aantrekkelijk platteland:
‘Voor een land als Frankrijk staan grote financiële belangen op het spel. Ze zijn netto betaler en veel van dat geld komt via Brussel terecht bij grote graanboeren die het ook zonder steun redden op de wereldmarkt. Moderne boeren in de EU, en ook in Nederland, kunnen de vrije markt wel aan. Alleen is de vraag of natuur, milieu en landschap dat ook kunnen. Meer markt betekent immers nog meer druk op boeren richting schaalvergroting en intensivering. Bovendien zullen boeren dan wegtrekken uit marginale gebieden als het Franse Centraal Massief of een landschapstype als de Portugese dehasas.
Meer markt moet dus gepaard gaan met betalingen voor natuur, milieu en landschap. Dat is de kern van het plan van Verburg dat in die zin meer coherent en consistent is dan dat van de meeste andere lidstaten. Die richten zich meer op inkomenssteun. Nieuwe marktinstrumenten als vangnetprijzen, en het in reserve houden van oude instrumenten als strategische graanvoorraden, kunnen de boer van een inkomen verzekeren en de consument van voldoende voedsel.’

Prof. Arie Oskam, hoogleraar Agrarische economie en plattelandsbeleid:
‘Ik vindt de vraag wat te sterk aangezet. Het gaat om een faseringsverschil waarbij Nederland wat verder gaat en andere landen meer bij het bestaande aansluiten. In de praktijk gaat het om de visie van de Europese Commissie en die vaart een marktgerichte koers. Ze streeft ernaar om over te gaan op het systeem van directe inkomenstoeslagen en soepeler vangnetten in geval van calamiteiten. Ik geloof niet dat dit proces onderbroken wordt, ook niet door de prijshype op de grondstoffenmarkt, omdat het vanuit verschillende kanten ondersteund wordt.
Natuurlijk kun je dit systeem niet rücksichtslos tot het uiterste doorvoeren omdat ook waarden als voedselkwaliteit en landschap meespelen. Daarom is het in 1992 ingezet als een geleidelijk proces en ik heb geen aanwijzingen dat dit gaat veranderen.’

Herman Snijders, coördinator gemeenschappelijk landbouwbeleid bij LNV:
‘Er speelt een ontwikkeling op lange en op korte termijn. Op lange termijn wordt de maatschappelijke legitimatie van het gemeenschappelijke landbouwbeleid steeds belangrijker. Wij denken dat die discussie net is begonnen en de vraag is hoe die verloopt. Bij dat getal van twintig landen die tegen zijn, ligt het er ook maar aan hoe je kijkt. Het gaat om publieksgeld en ook zij zullen die legitimatievraag tegenkomen. Dat ligt in de lijn van minister Verburg. Zij kijkt hoe aan het maatschappelijk belang tegemoet kan worden gekomen.
Op de korte termijn hebben de lidstaten verschillende mogelijkheden om het gemeenschappelijk landbouwbeleid in te vullen. Zo kunnen ze kiezen voor varianten van het historische of het regionale model van betalingen. Zo kunnen ze binnen de kaders van de huidige wet al stappen zetten op weg naar het gewenste model. Er is dus geen probleem te verwachten met de invulling van het gemeenschappelijk beleid in Nederland.’

Re:ageer