Wetenschap - 1 januari 1970

Tuinbouw vaart wel bij liberalisering

Nederlandse producenten van snijbloemen, potplanten en zaaigoed zijn gebaat bij liberalisering van de wereldhandel. Daarentegen krijgen melkveehouders, vleesveehouders en graanboeren het zwaarder door minder bescherming van de markt.

Dat blijkt uit een studie die het LEI deed voor het ministerie van LNV als voorbereiding op de komende onderhandelingen over liberalisering van de wereldhandel. Maandag is het rapport gepresenteerd aan landbouwminister Veerman.
In december komen de ministers van de 148 lidstaten van de wereldhandelsorganisatie WTO bij elkaar in Hong Kong om de al jaren voortslepende onderhandeling over liberalisering van de wereldhandel in industrie-, landbouwproducten en diensten tot een goed einde te brengen.
Om de Nederlandse onderhandelaars goed beslagen ten ijs te laten komen, maakte dr. Frank van Tongeren van het LEI op basis van modelstudies voor verschillende landbouwproducten de balans op tussen de invoertarieven die Nederlandse exporteurs aan andere landen moeten betalen, en de invoertarieven die de EU zelf heft op die producten. Het verschil tussen die twee maakt of verlaging van die tarieven – liberalisering dus – voor dat product gunstig is of niet.
Uitkomst is dat producenten van snijbloemen, potplanten en zaaigoed, maar ook van verwerkte producten als margarine, oliën en vetten, baat hebben bij liberalisering. Exporteurs van rundvlees en graan daarentegen komen vrij lage tarieven tegen, terwijl omgekeerd de EU hoge tarieven heft op importen van die producten. Producenten van rundvlees en graan krijgen het dus zwaarder bij liberalisering.
Melkproducenten in Nederland hebben helemaal veel te vrezen van liberalisering, maar om een andere reden. Melkproducten krijgen bij export nog veel exportsubsidie. De kans is groot dat die subsidies in Hong Kong afgeschaft worden. Nederland ontving 446 miljoen euro aan exportsubsidies in 2001, waarvan tweederde deel naar zuivelproducenten ging.
Een andere conclusie van Van Tongeren is dat de maximaal toegestane invoertarieven fors verlaagd moeten worden, willen ze voor Nederland effect hebben. Want de belangrijkste afzetlanden voor Nederland hanteren al tarieven die gemiddeld ruim zestig procent lager liggen dan het door de WTO toegestane maximum. De tariefverlaging die straks in Hong Kong wordt afgesproken moet dus meer dan die zestig procent zijn, wil de liberalisering merkbaar zijn.
Het is de vraag of die ambitieuze doelstelling gehaald wordt in Hong Kong, want de standpunten van de VS - die haar landbouwmarkt de laatste tijd juist meer ging beschermen - en de EU liggen nog ver uit elkaar. Bovendien zijn de belangen van opkomende ontwikkelingslanden niet meer te negeren sinds de vorige WTO-top in Cancún, waar de ontwikkelinglanden een akkoord tegenhielden.
Naast dit overzicht van belangen krijgen de onderhandelaars ook nog een computermodel van het LEI mee. Dat geeft precies aan voor alle sectoren wat de gevolgen zijn van concrete voorstellen voor reductie van tarieven. Van Tongeren noemt het ‘een stoplicht met alarmbellen’.
Bij een voorstel voor liberalisering tijdens de conferentie worden alle producten tegelijkertijd behandeld, en onderworpen aan een formule voor verlaging van tarieven. Maar per product zijn er meerdere tarieven, zodat de gevolgen van liberalisering niet eenvoudig te overzien zijn. Zo zijn er bijvoorbeeld verschillende tarieven voor verschillende onderdelen van de kip. En maar liefst dertig verschillende tarieven voor verschillende melkproducten, zoals melkpoeder, boter of kaas. Zonder het stoplicht-model zouden onderhandelaars niet snel genoeg zien welke sectoren in gevaar komen door de voorgestelde liberalisering. JT

Re:ageer