Wetenschap - 2 juli 2015

Topsectoren: ons kent ons

tekst:
Albert Sikkema

Sinds 2012 verdelen de topsectoren Agri & Food en Tuinbouw & Uitgangsmaterialen een deel van het onderzoeksbudget voor DLO. De onderzoekfinanciering is daardoor een stuk complexer geworden. Vooral goed ingevoerde marktleiders halen nu de projecten binnen. Dat blijkt uit een reconstructie van Resource.

In de topsectoren moeten de onderzoekers publiek-private onderzoeksprojecten afsluiten met bedrijven. De topsector Agri & Food heeft jaarlijks 31 miljoen euro aan publiek-private projecten van bedrijven met DLO te besteden, de topsector Tuinbouw & Uitgangsmaterialen 15,5 miljoen. Inmiddels hebben ze respectievelijk 89 en 95 publiek-private projecten toegekend. In de topsector Agri & Food ging het meeste geld in de afgelopen jaren naar het thema Duurzame Veehouderij, met 13 projecten. Vooral projecten van consortia van grote bedrijven – de marktleiders - vallen in de prijzen. Het MKB krijgt weinig projecten.

De marktleiders weten de weg naar de topsector goed te vinden. De ‘gevestigde orde’ heeft tijd en middelen om te investeren in samenwerking met publieke onderzoeksinstellingen. Ze hebben al lijntjes lopen met onderzoekers en hebben mensen die projecten kunnen schrijven. Bovendien vinden ze hun weg in de complexe subsidieregels en weten ze wat de topsector voor ogen heeft met de innovatie-agenda’s. ‘Het is ons kent ons’, zeggen betrokkenen.

De overheid trekt zich terug bij de bepaling en financiering van het onderzoek. Had het landbouwministerie nog een inhoudelijke kennisagenda, het ministerie van EZ kiest voor een meer procedurele en dienende rol. Volgens DLO-onderzoekers stelt het ministerie zich passief op bij het formuleren van de kennisagenda’s en komt de maatschappelijke agenda onder druk te staan. ‘Bedrijven bepalen nu bijvoorbeeld grotendeels de onderzoekagenda rond overgewicht en voedselveiligheid, terwijl dit voor de overheid belangrijke onderwerpen zijn.’

De topsectoren krijgen veel meer onderzoeksplannen van bedrijven binnen dan ze geld hebben. Daarom worden de voorstellen geselecteerd in twee beoordelingsronden. In de eerste ronde gaat een commissie (met daarin overheid, bedrijf en DLO) zogenaamde ‘pre-proposals’ beoordelen. In de tweede ronde gaat een ‘externe onafhankelijke commissie’ de uitgewerkte voorstellen beoordelen. Die commissie keurt een deel  –70 procent in 2014 – van de voorstellen goed, maar slechts een deel van de goedgekeurde projecten – 60 procent in 2014 – krijgt uiteindelijk geld.

De leden van de externe commissie zijn onbekend, hun adviezen aan het topsectorbestuur zijn vertrouwelijk. Welke afwegingen er worden gemaakt tussen de externe commissie, het topsectorbestuur en het ministerie, is onbekend. Oud-topambtenaar Ate Oostra van het ministerie: ‘Bedrijven horen nooit iets terug uit de topsector waarom een project wel of niet is gehonoreerd. Zij bepalen de koers, maar die is niet transparant.’   

Lees het hele verhaal in Resource magazine.

Het artikel past in het dossier Wageningen UR & bedrijfsleven. Eerdere artikelen:


Re:ageer