Organisatie - 7 december 2006

Tobben Wageningers te veel?

Er gaat veel goed aan Wageningen UR, constateert bureau Berenschot deze week. Maar veel medewerkers lijken dat niet te beseffen. Ze hebben last van een ‘negatief zelfbeeld’ en komen ‘tobberig’ over. Herkenbaar?

53_opinie_0.jpg
Frank Beemer, managing director bij bureau Berenschot
‘Wij horen inderdaad van klanten van Wageningen UR dat jullie onderzoekers wat tobberig overkomen. Een voorbeeld? Denk aan de onderzoekstarieven. Wageningse onderzoekers verontschuldigen zich bij klanten over de hoge tarieven. Als je objectief naar de tarieven kijkt is daar geen enkele reden voor. Maar het werkt natuurlijk als een self-fulfilling prophecy. Als de onderzoeker zelf de tarieven te hoog vindt, wat moet een klant daar dan van denken?
Het is begrijpelijk dat de reorganisaties hun sporen hebben nagelaten. Grote veranderingen maken mensen onzeker en intern gericht. Dat gebeurt overal. Wij hebben het management van Wageningen UR geadviseerd daar rekening mee te houden. Er is na de veranderingen rust nodig.
We hebben ook gemerkt dat er scepsis is onder de medewerkers over de centralisatie van het beleid. In een professionele organisatie als een onderzoeksinstelling moet je selectief zijn met je verticale sturing. Een grote kennisorganisatie als Wageningen UR moet je eerder beschouwen als een vloot van schepen, waarbij elk schip een eigen stuurman heeft die zo bijstuurt dat het scheepje in de gewenste richting van de vloot koerst. De kapitein van de vloot moet dus vooral goed duidelijk kunnen maken wat de koers is. In grote organisaties, zoals Wageningen UR ook is, zie je vaak een autonome neiging tot centralisatie, gevoed door een behoefte aan grip door een hoofdkantoor. Besturen van grote organisaties moeten er alert op zijn dat ze slimme prikkels uitzenden waardoor de scheepjes de juiste koers willen volgen. De veranderingen in Wageningen zijn lang uitsluitend een zaak geweest van het management. De werkvloer is pas laat bereikt. Dat had wel wat sneller gekund. Het lijkt er op dat er nu weer ruimte is om verder te bouwen. In die fase horen slimme prikkels. Als je samenwerking wilt bevorderen moet je zorgen dat dat sexy wordt, en het niet proberen af te dwingen. Dat werkt niet.’

[img]Marlies van Hal, junior onderzoeker bij de leerstoelgroep Sociaal-ruimtelijke analyse, afkomstig uit de Randstad
‘Wat misschien een rol speelt is het landbouwimago van Wageningen. Als je in de Randstad vertelt dat je een baan in Wageningen hebt, wordt er altijd eerst een beetje lacherig gedaan. Je moet meteen in de verdediging. Maar als ik vervolgens uitleg wat voor baan ik heb, krijg ik wél positieve reacties. Nederlanders hebben in het algemeen wel een beetje last van valse bescheidenheid . Amerikanen hebben dat bijvoorbeeld helemaal niet. Ik heb voor een evenementenbureau gewerkt en daar hebben mensen ook minder last van bescheidenheid. Wageningers zijn toch iets rustiger en minder snel geneigd zichzelf op de borst te slaan. Wat mij betreft mogen we best iets trotser op onszelf zijn. En iets uitgesprokener en vrolijker mag van mij ook wel.’

[img]Prof. Renger Witkamp, verruilde dit jaar TNO voor Wageningen UR en werkte eerder aan de universiteit van Utrecht
‘Helemaal niet. Welnee. Ik vind de werksfeer juist heel positief en collegiaal. In vergelijking met andere universiteiten zie ik hier een handen-uit-de-mouwenmentaliteit. Het is hier minder formeel en minder hanig. Bij traditionele universiteiten zijn mensen wat dikdoeneriger. Hier heerst een licht Calimero-gevoel. Wij zijn klein en zij zijn groot. Maar dat leidt er niet toe dat mensen zielig in een hoekje gaan zitten.
Dat onderzoekers bij de instituten zich ongemakkelijk voelen bij de tarieven is heel herkenbaar. Dat was bij TNO net zo, en ik denk dat dat geldt voor alle semi-private onderzoeksinstellingen in Nederland. De onderzoekers hebben weinig commercieel gevoel, ze praten niet zo makkelijk over geld. Het gaat natuurlijk ook al snel om grote bedragen, al lachen mensen uit het bedrijfsleven er vaak om.’

[img]Prof. Gerrit Antonides, hoogleraar Economie van consumenten en huishoudens, werkte tot drie jaar geleden aan de Erasmus Universiteit Rotterdam
‘Mensen zijn in periodes van onzekerheid natuurlijk bang hun baan te verliezen. Dat zou een deel van de verklaring kunnen zijn. Maar in Rotterdam zijn er ook enorme bezuinigingsrondes geweest, dus daarin is Wageningen niet uniek. In mijn eigen omgeving kom ik niet veel tobberige mensen tegen. En ik geloof ook niet dat ik zelf de afgelopen drie jaar zuurder ben geworden.
Misschien is het wel zo dat Wageningen een bepaald slag mensen trekt. Ik denk dan vooral aan studenten. Dat zijn mensen die over het algemeen nadenken over zaken als milieu en voeding. Mensen die wat dieper denken. Misschien komt dat snel tobberig over.
Als het zou gaan over onvrede over het beleid, kan ik me er ook wel wat bij voorstellen. Er wordt hier vrij veel van bovenaf geregeld. Ik heb de indruk dat aan andere universiteiten de faculteiten een belangrijkere positie hebben. Hier komt veel beleid rechtstreeks van de top. Dus kritiek hoor ik wel, maar dat leidt hier in ieder geval absoluut niet tot neerslachtigheid.’

[img]Prof. Jaap Molenaar, sinds drie maanden hoogleraar Wiskunde bij Biometris in Wageningen, werkte eerder in Eindhoven en Twente
‘Ik kan alleen mijn directe omgeving beoordelen. Daar loopt het gesmeerd. Ik zie heel veel goeds in de samenwerking tussen instituut en universiteit. Wij hebben bij Biometris twee bloedgroepen. De een richt zich op de markt, de andere op het onderzoek, en ondertussen behoeden ze elkaar voor oogkleppen. Van tobberigheid zie ik niets. Ik merk wel een grote mate van bescheidenheid. Dat heeft er misschien mee te maken dat we een heel eigen niche hebben, en dus niet zo goed kunnen vergelijken met anderen.’

Ir. Jasper Harms, studeerde tot voor kort Landbouwtechniek aan Wageningen Universiteit, was practicumassistent en verslaggever van Wb, werkt sinds kort bij KPN in Den Haag
‘Een overeenkomst tussen KPN en Wageningen UR is dat beide organisaties te maken hebben met een sterk veranderende omgeving die dwingt tot aanpassingen. Het meest opmerkelijke verschil is dan dat mensen hier eerder geneigd zijn veranderingen te zien als uitdaging en niet als bedreiging. De nadruk ligt hier ook meer op de persoonlijke ontwikkeling van werknemers. Trots is niet iets dat je van bovenop oplegt. Als je als organisatie mensen op een consequente manier betrekt bij veranderingen, dan kweek je commitment en vertrouwen. Trots komt dan vanzelf wel.’

Re:ageer